Op 3 december organiseren we het symposium van VOS/ABB. Het thema is Vrijheid door onderwijs.

We praten met elkaar al lang – en ook veel – over de vrijheid van onderwijs: de ruimte om scholen op te richten en onderwijs vanuit verschillende overtuigingen vorm te geven. Tijdens het symposium stellen we ook een andere vraag: hoe draagt die vrijheid van onderwijs bij aan de vrijheid van kinderen en jongeren?

Samen met collega’s van Verus waren wij uitgenodigd om met de onderwijscommissie van de Tweede Kamer te spreken over de vrijheid van onderwijs. Die vrijheid heeft verschillende kanten. Artikel 23 van de Grondwet geeft de overheid de opdracht te zorgen voor voldoende openbaar onderwijs, toegankelijk voor ieder kind. Daarnaast biedt het ruimte om bijzondere scholen op te richten en onderwijs vorm te geven vanuit een eigen overtuiging of onderwijsvisie.

Over artikel 23 en de inrichting van ons onderwijs bestaan allerlei gevoelens en opvattingen. Voor mij is de Grondwet een gegeven kader waarbinnen wij ons werk mogen doen. De vrijheid van onderwijs biedt ruimte aan verschillende opvattingen en beschermt tegen een overheid die willekeurig kan bepalen welke overtuiging de juiste is. Tegelijk is het aan diezelfde overheid om het onderwijs te bekostigen en erop toe te zien dat het binnen de wettelijke kaders blijft.

Binnen die context heeft het openbaar onderwijs een eigen opdracht. Het is er voor iedereen en geeft ruimte aan de verschillende achtergronden, overtuigingen en opvattingen van kinderen, ouders en medewerkers. Die verscheidenheid toelaten is niet genoeg. We moeten haar ook een plaats geven in ons onderwijs.

Een grotere wereld

Als ik terugdenk aan mijn schooltijd, herinner ik me vooral leraren die mijn kleine wereld wat groter maakten. Door school las ik Jan Wolkers en Harry Mulisch. Ik wilde het werk van Keith Haring in Antwerpen zien en de beelden van Rodin in Parijs. Soms schrok ik ook van wat ik zag en begreep ik het niet. Maar ik was – dat denk ik – verwonderd, geraakt en nieuwsgierig.

Op school luisterden we naar The Smiths. Ik wilde per se weten wat dat was. Ik begreep hun muziek niet, maar vond het heerlijk. En ik weet nog dat ik op school voor het eerst foto’s zag van Anton Corbijn. Ze lieten mij een andere wereld zien. Die wereld was dichtbij, en toch ook weer niet.

Het waren andere beelden, andere muziek en andere boeken dan die ik van thuis kende. Mijn wereld werd groter. Ik ontdekte dat je op verschillende manieren kunt kijken. Wat voor mij vanzelfsprekend was, dat voor een ander niet hoefde te zijn. En dat er verschil is tussen wat je weet en wat je gelooft of vindt.

Voor mij gaat vrijheid door onderwijs over het leren kennen van de wereld, over zelf leren denken en ontdekken wie je bent.

Vrijheid geldt ook voor de ander

Die vrijheid betekent dat je zelf mag denken en geloven. En als je die vrijheid voor jezelf belangrijk vindt, moet je diezelfde vrijheid ook een ander gunnen. Ook wanneer die ander iets gelooft of vindt waar je niets mee hebt.

Je mag het met elkaar oneens zijn en dat ook uitspreken. Maar ook met een andere opvatting blijft de ander even waardevol als jijzelf.

Op onze scholen ontdekken leerlingen hopelijk wat dat in de praktijk betekent. Door anderen te ontmoeten, vragen te stellen en met elkaar van mening te verschillen. En door hun opvatting of oordeel te onderzoeken, ontdekken zij misschien ook dat een oordeel soms een vooroordeel kan zijn.

Waarom ik sta voor openbaar onderwijs

Daarom voel ik mij thuis in het openbaar onderwijs: omdat het er voor iedereen behoort te zijn, op een school waar iedereen welkom is, ongeacht afkomst, geloof, talenten of achtergrond. De waarden van het openbaar onderwijs – vrijheid, gelijkwaardigheid en ontmoeting – liggen dicht bij de waarden die ik voor mijzelf belangrijk vind.

Ik geloof in de betekenis van ontmoeting. De ontmoeting met iemand met een andere achtergrond, cultuur of overtuiging. Maar ook de ontmoeting met ideeën, literatuur, kunst of muziek. Zulke ontmoetingen kunnen je raken, aan het denken zetten en anders laten kijken naar wat voor jou vanzelfsprekend is. Ze dragen bij aan je vorming en groei. Ontmoeting is geen extraatje in het onderwijs. Ze hoort heel basaal bij onze opdracht, bij wat onderwijs kinderen en jongeren kan meegeven.

Dat vraagt best veel. Openbaar onderwijs moet iedere dag opnieuw waarmaken dat iedereen welkom is en dat verschillen een plaats krijgen. Dat gebeurt in de klas, op het schoolplein, in de boeken die we lezen en in de gesprekken die worden gevoerd.

Als dat lukt, organiseren we samen een vrijheid die verder reikt dan de school. Een vrijheid die kinderen en jongeren helpt om stevig, met zelfvertrouwen en met een brede blik de wereld in te stappen.

Het kind als vertrekpunt

Samen met Ronald Bloemers pleitte ik eerder voor een eigentijdse herijking van de vrijheid van onderwijs. Ons vertrekpunt was het recht van ieder kind op goed onderwijs en gelijke ontwikkelkansen.

Dat vraagt dat we kijken naar wat onze keuzes betekenen voor kinderen. Voelen zij zich welkom en veilig? Krijgen zij de kans hun mogelijkheden te ontdekken en in aanraking te komen met de wereld buiten hun vertrouwde omgeving?

Een school met een herkenbare identiteit kan kinderen veiligheid en verbondenheid bieden. Tegelijk ontstaat ontmoeting met andere opvattingen en ervaringen niet vanzelf. Dat geldt voor iedere school, openbaar of bijzonder. Het vraagt bewuste keuzes van iedereen die er werkt en van de besturen die daarvoor verantwoordelijkheid dragen.

Het gesprek op 3 december

Op 3 december gaan we daarover met elkaar in gesprek. Vanuit verschillende ervaringen en overtuigingen onderzoeken we wat vrijheid door onderwijs betekent en wat die vrijheid van ons vraagt.

Voor mij staat daarbij één vraag centraal: hoe zorgen we ervoor dat de vrijheid waarmee wij onderwijs organiseren, bijdraagt aan vrijheid door onderwijs?

Dat is de vrijheid door onderwijs die ik zie en voel en waar ik blij van word. Een vrijheid die mij hoop en vertrouwen geeft.

Aanmelden voor het symposium

Symposium 3 december 2026 – VOS/ABB

Deel dit bericht: