Politiek moet nog steeds vertrouwen van onderwijs winnen

Na de adviezen van de commissie-Dijsselbloem zijn we min of meer terug bij af: de politiek volgde de aanbevelingen van de commissie nauwelijks op en het (enigszins) herstelde vertrouwen van het onderwijs in de politiek hield geen stand. Minister Jet Bussemaker van OCW vindt dat de politiek niet verkrampt moet omgaan met vernieuwing in het onderwijs. De minister zei dat vrijdag tegen de NOS in een reactie op het rapport van de Onderwijsraad.

De commissie-Dijsselbloem deed in 2008 onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen van de jaren daarvoor. Het onderwijs zag die vernieuwingen van bovenaf op zich afkomen, zonder dat de politiek het onderwijsveld voldoende bij betrok. Het advies van de commissie-Dijsselbloem was dan ook dat de motivatie voor vernieuwingen voortaan uit het onderwijs zelf moest komen.

Op verzoek van de Tweede Kamer heeft de Onderwijsraad onderzocht of de adviezen van commissie-Dijsselbloem tot structurele verandering van de onderwijspolitiek heeft geleid. De conclusie is dat de invloed van de adviezen beperkt is. ‘Aanvankelijk herstelde de commissie-Dijsselbloem het vertrouwen van het onderwijsveld in de overheid door stevige kritiek te leveren op de politiek van de voorafgaande jaren. Dit vertrouwen hield echter geen stand, mede doordat aanbevelingen van de commissie niet in praktijk werden gebracht’, meldt de Onderwijsraad.

De rolverdeling tussen de overheid en het onderwijsveld is volgens de raad niet wezenlijk veranderd. ‘Nog steeds bemoeit de overheid zich intensief met het onderwijs op de scholen. Uit het voorgestelde toetsingskader voor een zorgvuldig beleidsproces kreeg vooral ‘draagvlakverwerving’ aandacht, maar nog steeds onvoldoende. Sinds Dijsselbloem gaan politici discussies over het stelsel uit de weg, uit angst om (opnieuw) vernieuwingen ‘op te dringen’. Terwijl zij juist voor het stelsel verantwoordelijk zijn.’

De Onderwijsraad vindt verder dat een nieuw perspectief op onderwijsbeleid nodig is. ‘Deregulering en autonomievergroting hebben de verhoudingen veranderd: de overheid moet bij nieuw beleid rekening houden met meer en wisselende belanghebbenden. Dit punt bleef bij de commissie-Dijsselbloem op de achtergrond, maar heeft zich sindsdien alleen maar sterker gemanifesteerd. De raad ziet onderwijsbeleid niet als een lineair, centraal aangestuurd proces waarin beleidsontwerp en -uitvoering elkaar opvolgen. Het is een dynamisch en cyclisch proces dat vraagt om een andere rol van de overheid.’

De Onderwijsraad komt met drie aanbevelingen:

  1. Laat de overheid zich beperken tot de hoofdlijnen en daarop krachtiger kiezen.
  2. Zoek naar nieuwe vormen van representatie: niet alleen sectororganisaties PO-Raad en VO-raad en vakbonden!
  3. Maak beter gebruik van informatie uit de wetenschap en het onderwijsveld zelf.

Download het advies Onderwijspolitiek na de commissie-Dijsselbloem.

Minister Jet Bussemaker van OCW vindt dat de politiek niet verkrampt moet omgaan met vernieuwing in het onderwijs. De minister zei dat tegen de NOS in een reactie op het rapport van de Onderwijsraad.