Nederlandse leerlingen (heel) tevreden

Nederlandse leerlingen zijn (heel) tevreden met hun leven. Het maakt daarbij niet uit welke achtergrond ze hebben. Dat meldt staatssecretaris Sander Dekker van OCW in een brief aan de Tweede Kamer op basis van het rapport Students’ Well-Being van het Programme for International Student Assessment (PISA), dat onderdeel is van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Dekker benadrukt dat Nederlandse leerlingen over het algemeen niet alleen (heel) tevreden zijn met hun leven, maar ook nog eens goed presteren. ‘Nederland staat daarmee met Zwitserland en Finland in de top 3’, aldus de staatssecretaris.

Uit het rapport komt ook naar voren dat het aandeel Nederlandse leerlingen dat stress en/of angst ervaart bij het maken van een toets met 39 procent minder groot is dan het gemiddelde van de OESO-landen.

Verder blijkt dat het overgrote deel van de Nederlandse leerlingen (81 procent) zich thuisvoelt op school en zich geen buitenstaander voelt (91 procent). Dat geldt ook, zo staat in het rapport en in de brief van Dekker, voor leerlingen in Nederland met een migratieachtergrond.

Openbaar onderwijs in Nederland en Vlaanderen

Deze expertmeeting over openbaar onderwijs in Nederland en Vlaanderen wordt georganiseerd in samenwerking met de Vlaamse onderwijskoepel van steden en gemeenten OVSG.

Het zal gaan over onder andere de identiteit van het openbaar onderwijs in Nederland en de neutraliteit van het openbaar onderwijs in Vlaanderen.

De expertmeeting wordt gehouden in het zuiden van Nederland. De locatie en de tijden volgen nog.

Mag klassenfoto op website van school?

Mede door de opkomst en de toename van de digitale middelen wordt het steeds gemakkelijker om informatie snel onder een grote doelgroep te verspreiden. Ook scholen hebben hiermee te maken. De mogelijkheden lijken tegenwoordig eindeloos. Echter, de praktijk leert dat scholen hierbij nog wel eens vergeten rekening te houden met de wettelijke kaders die hiervoor gelden.

In dit artikel willen we mede aan de hand van een aantal praktijkvoorbeelden aandacht besteden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Deze wet krijgt en behoeft in het onderwijs steeds meer aandacht, omdat veel scholen niet weten dat het niet naleven van de regels vervelende gevolgen kan hebben. Eventuele boetes kunnen oplopen tot ruim 8 ton!

In de praktijkvoorbeelden richten we ons met name op leerlinggegevens, maar de uitgangspunten zijn ook van toepassing op personeelsgegevens.

Wanneer is de Wbp van toepassing?

De Wbp is van toepassing als persoonsgegevens worden ‘verwerkt’. Het verwerken van persoonsgegevens in de zin van de wet betreft elke handeling die ziet op persoonsgegevens, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, verspreiden, opvragen, gebruiken, beschikbaar stellen en vernietigen hiervan. Deze definitie maakt dat de Wbp een erg ruim bereik heeft en op bijna elke situatie waarin iets met persoonsgegevens wordt gedaan van toepassing is. De uitzondering hierop betreft de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van persoonlijke, huishoudelijke of journalistieke doeleinden.

De handeling moet altijd zien op ‘persoonsgegevens’. Een persoonsgegeven is elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Kortom: aan de hand van een gegeven dan wel gegevens moet een persoon te herleiden c.q. te identificeren zijn. Enkel de vermelding van een geboortedatum, zonder nadere informatie, kan in dit verband niet als persoonsgegeven worden gezien. Dit kan echter wel weer het geval zijn als dit bijvoorbeeld wordt gebruikt in combinatie met een adresgegeven. Per situatie moet dus bekeken worden of het om een persoonsgegeven in de zin van de Wbp gaat.

Wanneer is het toegestaan om persoonsgegevens te verwerken?

Artikel 8 van de Wbp bevat een aantal grondslagen op grond waarvan mag worden overgegaan tot verwerking van persoonsgegevens. Als een school persoonsgegevens van een leerling wil verwerken, kan dit dus alleen als de verwerking kan worden gebaseerd op ten minste één van de in de Wbp genoemde grondslagen:

a) Ondubbelzinnige toestemming;
b) Gegevensverwerking is noodzakelijk voor de nakoming van een overeenkomst;
c) Gegevensverwerking is noodzakelijk om een wettelijke verplichting na te komen;
d) Gegevensverwerking is noodzakelijk ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;
e) Gegevensverwerking is noodzakelijk voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door een bestuursorgaan;
f) Gegevensverwerking is noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke of van een derde tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

Het verwerken van leerlinggegevens zal in veel gevallen gebaseerd kunnen worden op art. 8 sub b. Als ouders hun kind inschrijven op school, komt daarmee als het ware een overeenkomst tot stand tussen de ouders en de school, waarmee de school de verantwoordelijkheid op zich neemt om het kind van onderwijs te voorzien. De school kan vervolgens enkel uitvoering geven aan deze taak als zij bepaalde leerlinggegevens verwerkt.

Uiteraard kunnen niet alle gegevensverwerkingen gebaseerd worden op art. 8 sub b. Verderop in dit artikel treft u een aantal praktijkvoorbeelden aan waarbij de gegevensverwerking wordt gebaseerd op een andere grondslag.

Aan welke eisen moet de gegevensverwerking voldoen?

Naast het feit dat er een grondslag moet bestaan om de persoonsgegevens te mogen verwerken, kent de wet ook nog andere eisen waar de gegevensverwerking aan moet voldoen. Vereist is dat gegevens behoorlijk, zorgvuldig en in overeenstemming met de wet worden verwerkt. Ook mogen er enkel gegevens worden verzameld met een bepaald gerechtvaardigd doel. Dit doel (of deze doelen) dient (dienen) duidelijk omschreven te worden voordat begonnen wordt met het verzamelen van gegevens.

Bij elke gegevensverwerking zal vervolgens vastgesteld moeten worden of het verwerken van de persoonsgegevens nodig is om het doel te bereiken. Is het bijvoorbeeld mogelijk om een andere weg te bewandelen waardoor hetzelfde doel wordt bereikt en waarbij het niet nodig is om persoonsgegevens te verwerken of er wellicht minder persoonsgegevens verwerkt hoeven te worden? Ook betekent dit dat persoonsgegevens niet eindeloos bewaard mogen worden. Als bepaalde gegevens waarvoor geen wettelijke bewaarplicht geldt niet meer nodig zijn en hun waarde hebben verloren, moeten ze worden verwijderd.

Zijn er nog andere verplichtingen waaraan moet worden voldaan op grond van de Wbp?

Naast de eisen die gesteld worden aan een verwerking, kent de Wbp een aantal andere verplichtingen. Een van deze verplichtingen is de meldingsplicht. Dit houdt in dat, indien er persoonsgegevens worden verwerkt, hiervan melding moet worden gemaakt bij de Autoriteit Persoonsgegevens.

Voor gebruikelijke gegevensverwerkingen bestaan er echter vrijstellingen welke zijn vastgelegd in het Vrijstellingsbesluit. Zo is de meldingsplicht onder andere niet van toepassing voor gebruikelijke gegevensverwerkingen in het kader van de leerlingadministratie en de personeelsadministratie. In het Vrijstellingsbesluit is ook de maximale bewaarperiode opgenomen van gegevens. Om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling, mogen gegevens dus niet langer worden bewaard.

Een voorbeeld hiervan is het leerlingdossier. Deze gegevens dienen uiterlijk twee jaar nadat de leerling is uitgeschreven, verwijderd te worden, tenzij sprake is van een wettelijke verplichting. Zo is bijvoorbeeld ten aanzien van de leerlingadministratie in het Bekostigingsbesluit  vastgelegd dat deze gegevens minimaal 5 jaar bewaard moeten worden na uitschrijving.

Een andere verplichting die voortvloeit uit de wet, is dat een betrokkene (i.c. ouders/leerlingen van 16 jaar of ouder) de verantwoordelijke (i.c. schoolbestuur) kan vragen of en zo ja welke persoonsgegevens over hem/haar worden verwerkt. Er bestaat dus inzagerecht. Ook mag de betrokkene vragen om zijn gegevens te corrigeren (verbeteren, aanvullen of verwijderen). Een schoolbestuur is verplicht deze verzoeken binnen 4 weken te honoreren. Gegevens kunnen alleen gecorrigeerd worden als ze feitelijk onjuist, onvolledig of niet ter zake dienend zijn voor het doel waarvoor ze worden verwerkt of op andere wijze in strijd met de Wbp of een andere wet zijn verwerkt.

Een derde belangrijke verplichting die is opgenomen in de wet, is dat het schoolbestuur passende technische en organisatorische maatregelen moet treffen om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of onrechtmatige verwerking tegen te gaan.

De Wbp toegelicht aan de hand van praktijksituaties

We hebben de website van onze school vernieuwd. Mogen we daarop ook de klassenfoto’s en de namen van leerlingen vermelden?
In dit voorbeeld wordt gesproken over klassenfoto’s en namen van leerlingen. De naam van een leerling betreft altijd een persoonsgegeven. Een klassenfoto kan ook persoonsgegevens bevatten als kinderen herkenbaar in beeld zijn gebracht. Als dit het geval is, betreffen dit dus ook persoonsgegevens. Verwerking (plaatsing op de website) is dus enkel toegestaan als daar een grondslag (a t/m f van artikel 8) uit de Wbp voor bestaat. Met andere woorden: als er geen toestemming is gegeven door de ouders van de leerling (of de leerling zelf als hij/zij 16 jaar of ouder is), zal vastgesteld moeten worden of sprake is van een gerechtvaardigd belang (de andere grondslagen bieden immers in deze situatie geen grondslag om de gegevens te mogen verwerken). Of sprake is van een gerechtvaardigd belang, zal afhangen van de vraag of het belang van de school bij plaatsing van de foto’s en de namen groter is dan het privacybelang van de leerling. Dit zal naar alle waarschijnlijkheid in de meeste situaties niet het geval zijn. Plaatsing van de foto’s en de namen is dan dus zonder toestemming niet toegestaan.

Jeugdzorg/Veilig Thuis vraagt  informatie op over een leerling. Ben ik verplicht om mee te werken?
Ook voor deze casus geldt dat er een grondslag moet zijn uit de Wbp. Geven de ouders toestemming, dan is het geen probleem om de gevraagde informatie te verstrekken. Toestemming is echter niet altijd noodzakelijk. Als er serieuze zorgen zijn over de leerling, kan de school zowel gevraagd als ongevraagd informatie over de leerling verstrekken aan Jeugdzorg/Veilig Thuis voor zover dit noodzakelijk wordt geacht voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang van de leerling, ook zonder toestemming van de ouders. In beginsel moet de school ouders hiervan wel vooraf op de hoogte stellen. Echter, als de veiligheid van het kind of van een ander in het geding is of er haast geboden is, kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Op het moment dat het specifiek om (een redelijk vermoeden van) kindermishandeling gaat, biedt artikel  5.2.6 van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo) zelfs een wettelijke basis voor de gegevensverstrekking. Dit artikel bepaalt namelijk dat een school informatie aan Veilig Thuis mag geven om de kindermishandeling te laten stoppen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te laten onderzoeken.

Een leerling verlaat de basisschool. Ouders zijn het niet eens met het opgestelde onderwijskundig rapport en willen geen toestemming geven om dit rapport te verstrekken aan de vervolgschool. Mag het rapport toch worden doorgegeven?
Ja, dit mag. In de Wet op het primair onderwijs is namelijk opgenomen dat een schooldirecteur van elke leerling die de school verlaat een onderwijskundig rapport moet opstellen ten behoeve van de ontvangende school. Het is dus niet nodig dat ouders toestemming geven voor het verstrekken van het onderwijskundig rapport aan de vervolgschool. Er bestaat in dit geval een wettelijke verplichting om het rapport aan de vervolgschool te overhandigen. De gegevensverwerking kan dus gebaseerd worden op art. 8 sub c Wbp.

Ouders hebben er bezwaar tegen dat de leerkracht van hun kind bepaalde zorgen die er leven met betrekking tot hun kind, bespreekt met collega’s. Mogen deze gegevens onderling worden uitgewisseld?
Binnen de school vindt doorgaans veel overleg plaats over leerlingen. Van periodieke klasbesprekingen tot de bespreking van individuele leerlingen met specifieke problematiek. Deze verwerking van persoonsgegevens vindt zijn grondslag in het feit dat verwerking noodzakelijk is om de onderwijsovereenkomst die de school met de ouders heeft na te komen (art. 8 onder b Wbp). Dit is (in het primair en voortgezet onderwijs althans) geen fysieke overeenkomst, maar doordat de ouders hun kind op school hebben ingeschreven, is de school verantwoordelijk voor het geven van goed onderwijs aan en de begeleiding van de betreffende leerling. Onderdeel van het geven van onderwijs aan en het begeleiden van leerlingen binnen de school is dat degenen die belast zijn met deze activiteiten of daarbij noodzakelijk zijn betrokken, periodiek overleggen. Ter uitvoering van hun taak mogen zij de daarvoor noodzakelijke gegevens ontvangen. Een leerkracht mag dus overleg voeren over de leerling met bijvoorbeeld een duo-partner of een intern begeleider, die belast is met de begeleiding van een leerling. Een leerkracht kan echter niet zomaar gegevens over de leerling verstrekken aan een collega van bijvoorbeeld een andere groep die op geen enkele wijze betrokken is bij het onderwijs aan en de begeleiding van de betreffende leerling. Ook derden kunnen belast zijn met onderwijs- en begeleidingsactiviteiten of daarbij noodzakelijk zijn betrokken. Zij zijn door de school ingeschakeld en hebben een taak binnen de reguliere ontwikkeling en begeleiding van leerlingen. Niet van belang is of deze derde, bijvoorbeeld een remedial teacher, in dienst is van de school of niet.

Een leerling van 17 jaar wil niet dat zijn ouders zijn dossier inzien. Dient de school zich hieraan te conformeren?
16 jaar is een belangrijke leeftijdsgrens in de Wbp. De leerling kan alleen een inzageverzoek met betrekking tot de eigen persoonsgegevens indienen als hij/zij 16 jaar of ouder is. Op het moment dat de leerling jonger is dan 16 jaar, kunnen de wettelijk vertegenwoordigers (bijvoorbeeld de ouders) een dergelijk verzoek doen. Een leerling van 17 jaar heeft dus het recht om zijn eigen dossier in te zien. Zijn ouders hebben op grond van de Wbp geen recht meer om het leerlingdossier van hun kind in te zien. Echter, uit de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs vloeit voort dat de school verplicht is om de ouders, voogden of verzorgers te rapporteren over de vorderingen van de leerling zolang de leerling nog minderjarig is. Gelet op deze wettelijke verplichting (art. 8 onder c Wbp) dient de school in deze casus, ondanks het bezwaar van de leerling, de ouders toch inzage te geven in het leerlingdossier. Dit is echter wel beperkt tot informatie omtrent de vorderingen van het kind en geldt enkel zolang de leerling minderjarig is.

Daarnaast geldt dat in de meeste gevallen eventueel ook een beroep kan worden gedaan op het gerechtvaardigd belang (art. 8f). ‘De meeste gevallen’, omdat uiteraard elke keer een belangenafweging gemaakt dient te worden tussen het belang van de leerling en het belang van de ouders. Ouders dienen op grond van de het Burgerlijk Wetboek voor hun kinderen te zorgen, financieel zelfs tot hun kind 21 jaar is. In dat kader hebben ouders belang bij de informatie die is opgenomen in het leerlingdossier. Dit is dus breder dan enkel de informatie over de vorderingen. Als de ouders echter niet meer betrokken zijn bij de opvoeding van het kind, zal het belang van de leerling hoogstwaarschijnlijk zwaarder wegen en kan een ouder niet met een beroep op het gerechtvaardigd belang om inzage vragen in het leerlingdossier.

Aangezien privacy een zeer ruim onderwerp is, kunnen wij in dit artikel lang niet alles bespreken. Heeft u andere privacy vragen – bijvoorbeeld over de informatievoorziening aan gescheiden ouders en/of datalekken – aarzelt u dan niet contact op te nemen met de helpdesk van uw profielorganisatie.

Dit artikel is tot stand gekomen in samenwerking tussen de juridische helpdesks van de profielorganisaties ISBO, VBS, Verus, VGS en VOS/ABB. 

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

 

 

Cursussen Onderwijsjuristen: wat vindt u interessant?

De Onderwijsjuristen verzorgen gratis cursussen voor VOS/ABB-leden. Wat zijn actuele en interessante onderwerpen die de Onderwijsjuristen kunnen belichten? Uw ideeën zijn meer dan welkom!

De cursussen van onze Onderwijsjuristen vormen een duidelijke meerwaarde van het lidmaatschap van VOS/ABB. Er is altijd veel animo voor, bijvoorbeeld voor cursussen over de onderwijs-cao’s, klachtrecht, aansprakelijkheid en de toelating/verwijdering van leerlingen.

Als u ideeën hebt voor cursussen die onze Onderwijsjuristen zouden kunnen organiseren, kunt u die mailen aan adviseur Céline Haket: chaket@vosabb.nl.

De cursussen van de Onderwijsjuristen zijn exclusief voor leden van VOS/ABB. Niet-leden hebben geen toegang.

Informatie: Onderwijsjuristen, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, onderwijsjuristen@vosabb.nl

Week van het Geld: wijzer in geldzaken!

Het is tot en met 31 maart de Week van het Geld.

Het doel van deze themaweek is om leerlingen te leren goed om te gaan met geld. ‘Door kinderen al jong te leren omgaan met geld, wordt de basis gelegd voor financiële zelfredzaamheid op volwassen leeftijd. Immers, jong geleerd is oud gedaan!’, zo vermeldt de website www.weekvanhetgeld.nl.

De Week van het Geld is een initiatief van het platform Wijzer in geldzaken, dat is opgericht door het ministerie van Financiën.

Download Week van het Geld-krant

Geld uit investeringsfonds voor duurzame scholen

Met geld uit het investeringsfonds Invest-NL wordt het mogelijk om schoolgebouwen duurzamer te maken. Dat zegt minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën in de Volkskrant.

Het kabinet maakte vrijdag bekend dat het investeringen gaat stimuleren op diverse terreinen. Daartoe wordt de investeringsinstelling Invest-NL opgericht. Daarin moet 2,5 miljard euro komen. Het fonds zal zich onder meer op verduurzaming richten.

In de Volkskrant van zaterdag gaat minister Dijsselbloem in op Invest-NL en de mogelijkheden om schoolgebouwen energiezuiniger te maken met bijvoorbeeld dakisolatie en om de ventilatie en daarmee het binnenklimaat in scholen te verbeteren.

‘Invest-NL kan dat als een project voor bijvoorbeeld honderd scholen gaan doen’, aldus Dijsselbloem.

Loyalis stuurt ten onrechte torenhoge factuur

Pas op met rekeningen van Loyalis! Deze waarschuwing volgt op een factuur van tienduizenden euro’s die Loyalis vorige maand ten onrechte naar de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs in Middelharnis heeft gestuurd.

De openbare Regionale Scholengemeenschap Goeree-Overflakkee kreeg in 2014 al eens foutieve factuur van Loyalis. Het bedrag daarop was véél hoger dan verwacht.

Navraag bij Loyalis leerde dat er een fout was gemaakt. Er kwam een correctienota, maar ook die was onjuist. In plaats van 20.000 euro werd er 40.000 euro in rekening gebracht. Loyalis bood excuses aan en stuurde wederom een correctienota.

Fouten in toekomst voorkomen?

Loyalis liet destijds naar aanleiding van dit incident aan VOS/ABB weten dat een intern onderzoek was gestart om dergelijke fouten in de toekomst te voorkomen, maar het blijkt nu toch weer te zijn misgegaan.

Hoewel de school in Middelharnis het contract met Loyalis na het eerdere incident heeft opgezegd en die opzegging door Loyalis is bevestigd, is er van dit bedrijf toch weer een forse rekening binnengekomen van zegge en schrijve 41.626 euro.

Goed opletten met Loyalis!

Hoofd financiën Dick Holleman van de school in Middelharnis benadrukt dat dit een onterecht verstuurde factuur is. Hij raadt daarom iedereen aan facturen van Loyalis goed in de gaten te houden. ‘Bij mij gingen direct alle alarmflitsen aan, maar je zal maar even niet goed opletten…’, aldus Holleman.

Reactie Loyalis

Woordvoerder Guido Mennens van Loyalis laat aan VOS/ABB weten dat dit niet had mogen gebeuren en biedt namens de organisatie zijn excuses aan. Hij laat intern onderzoeken wat er is misgegaan. VOS/ABB heeft gevraagd of ook kan worden onderzocht of er wellicht meer onjuiste facturen zijn verzonden.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Boerkaverbod door Tweede Kamer

De Tweede Kamer is dinsdag akkoord gegaan met het wetsvoorstel Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding. Een amendement van GroenLinks om het onderwijs uit te zonderen van het zogenoemde boerkaverbod haalde het niet.

Een ruime Kamermeerderheid stemde in met het wetsvoorstel van minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om het dragen van gezichtsbedekkende kleding in onder andere onderwijsinstellingen te verbieden. Alleen D66, GroenLinks en de Groep Kuzu/Özturk stemden tegen.

Het gaat in het wetsvoorstel niet alleen om boerka’s, maar ook om niqaabs (gezichtssluiers die alleen de ogen vrijlaten). Bovendien vallen integraalhelmen en bivakmutsen onder het voorgestelde verbod.

Boerka overschrijdt grens

Het kabinet heeft eerder gezegd te streven naar een goede balans tussen de vrijheid van mensen om kleding te dragen die bij hen past en het belang van onderlinge en herkenbare communicatie. Uitgangspunt is dat in een vrij land als Nederland iedereen het recht heeft zich naar eigen inzicht te kleden, wat anderen er ook van vinden. Die vrijheid is slechts begrensd in situaties waar het essentieel is dat men elkaar kan aankijken, omdat goede dienstverlening en/of veiligheid daar gewaarborgd moet zijn.

In mei 2015 ging de ministerraad akkoord met het voorstel van Plasterk.

Ook Marcouch voor boerkaverbod

Opmerkelijk is dat ook PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch voor het boerkaverbod heeft gestemd. In 2008 stelde hij als voorzitter van de stadsdeelraad Slotervaart in Amsterdam dat het dragen van een boerka in school moest kunnen. De lokale Amsterdamse krant Het Parool citeerde hem toen in een artikel over aandacht voor de islam in het openbaar onderwijs.

Lees meer...

Min/max-contract in primair onderwijs – Gezamenlijke beschouwing van helpdesks profielorganisaties

Al enige tijd werken de juridische helpdesks van de profielorganisaties ISBO, VBS, Verus, VGS en VOS/ABB intensiever met elkaar samen. De samenwerking bestaat uit het met elkaar bespreken van juridische vraagstukken die spelen in het primair en voortgezet onderwijs. Tevens informeren wij elkaar over relevante jurisprudentie en delen we ervaringen uit de juridische (dossier)praktijk van de verschillende organisaties. Met name de gezamenlijke standpuntbepaling draagt bij aan een eenduidige advisering van het totale scholenveld.
In het kader van onze intensievere samenwerking willen wij op de websites van de verschillende profielorganisaties een aantal keren per jaar een artikel plaatsen dat ingaat op actuele juridische thema’s. Onderstaand artikel over het min/max-contract in het primair onderwijs is het eerste in deze reeks. Deze bijdrage is verzorgd door juridisch adviseur René Tromp van VGS.

Per 1 juli 2016 is de door de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) gewijzigde ketenregeling, zoals bedoeld in artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek, ook van toepassing op het bijzonder onderwijs. Dit leidt tot een forse inperking van de mogelijkheden tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, hetgeen met name problemen oproept bij de organisatie van vervanging (nadere uitleg).
Voor het openbaar onderwijs geldt dat het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is en dat het daardoor voor wat betreft de gang van zaken rondom tijdelijke aanstellingen op de ‘oude voet’ voort kan gaan (ten minste voor zolang de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren nog niet in werking is getreden). Openbare schoolbesturen kunnen er wel voor kiezen vrijwillig de regels rondom de gewijzigde ketenbepaling en vervanging toe te passen.
Cao-partijen hebben beoogd de gevolgen van de nieuwe ketenbepaling bij cao te verzachten voor alle schoolbesturen. De introductie van het min/max-contract geldt in dit verband als een van de maatregelen. Overigens heeft de Tweede Kamer onlangs besloten dat er een verkenner moet komen die de knelpunten van de WWZ voor het onderwijs inventariseert en oplossingen formuleert. Wij zijn blij dat de problematiek van de WWZ voor het onderwijs hiermee wordt erkend en hopen op een structurele oplossing.

Wat is min/max-contract?

In het min/max-contract komen werkgever en vervanger een minimum- en een maximumaantal te werken uren per week overeen. Het minimale aantal uren per week wordt altijd uitbetaald, ook al zou er geen vervangingsarbeid zijn verricht. Dit minimumaantal uren is gesteld op 8 uur per week. Daarnaast wordt afgesproken hoeveel uur de vervanger maximaal per week oproepbaar is. Als de werkgever de vervanger oproept, is de vervanger verplicht arbeid te verrichten tot en met het maximumaantal uren per week dat is overeengekomen. Wordt de vervanger voor nog meer uren arbeid opgeroepen dan het overeengekomen maximum per week, dan is het aan de vervanger of hij deze meer-uren wil werken. Er geldt bij het min/max-contract een verhouding van maximaal 1:2,5 (bijvoorbeeld 8-20 uur of 12-30 uur). De vervanger kan voor elk vervangingswerk worden ingezet, de afwezigheidsgrond (bijvoorbeeld ziekte, verlof of studiemiddag) is daarbij niet van belang. Ook hoeft de vervanging niet noodzakelijkerwijs onvoorzien en korttijdelijk van aard te zijn. Voor de min/max-contracten is een aparte modelakte beschikbaar. Het min/max-contract kan alleen worden aangegaan met werknemers in de functiecategorie OP of met OOP’ers met les- of behandeltaken.

Min/max-contract en vervangingsbeleid

Schoolbesturen in het bijzonder onderwijs zijn op grond van de cao gehouden vervangingsbeleid op te stellen. In dit beleid wordt uiteengezet hoe vervanging binnen het schoolbestuur wordt georganiseerd. Verschillende maatregelen moeten ertoe bijdragen om de benodigde flexibiliteit in de organisatie van vervanging te borgen. Voorbeelden hiervan zijn het gebruik van reguliere benoemingen of aanstellingen voor vervanging (niet gekoppeld aan één afwezige), tijdelijke uitbreidingen, bindingscontracten en inhuur van personeel via derden. Het benoemen van min/max-contractanten is ook aan deze opsomming toe te voegen. Een min/max-contract kan worden aangegaan met onderwijsgevend personeel dan wel met onderwijsondersteunend personeel met les- of behandeltaken.

Min/max-contract en flexibiliteit

De inzet van de min/max-contractant kan grotendeels worden afgestemd op de beschikbare hoeveelheid vervangingswerk per week. In weken met veel vraag naar vervanging kan de vervanger tot het maximumaantal uren worden ingezet en eventueel voor nog meer uren als de werknemer hiermee instemt. In weken met geen of weinig vervangingsarbeid betaalt de werkgever niet meer uren uit dan het overeengekomen minimum. Kleine werkgevers kunnen eventueel min/max-contractanten benoemen en met hen afspreken dat zij eveneens gedetacheerd kunnen worden naar samenwerkende schoolbesturen. Zo worden risico’s verdergaand gedeeld.

Afspraken over beschikbaarheid

Partijen maken jaarlijks met elkaar afspraken over de beschikbaarheid van de vervanger op de verschillende dagen en dagdelen van de week. Hierbij geldt dat het overeengekomen maximum als uitgangspunt wordt genomen bij de te maken afspraken over beschikbaarheid. Komen partijen niet tot overeenstemming, dan geldt voor schoolbesturen die het basismodel hanteren, dat bij de inhoud van de beschikbaarheidsafspraken rekening wordt gehouden met de beschikbaarheidstabel uit artikel 2.11 cao. In deze tabel is de inzetbaarheid op het aantal dagen en dagdelen per week een afgeleide van de benoemingsomvang.

Min/max-contract voor onbepaalde tijd?

Een min-max contract kan alleen worden aangegaan voor bepaalde tijd en telkens voor een periode van maximaal 12 maanden. Het is dus zaak dat de aangegane overeenkomst niet een zodanige overeenkomst in de keten van eerdere arbeidsovereenkomsten vormt, dat het min/max-contract als benoeming voor onbepaalde tijd kan worden geclaimd. Dat een min-max-contract niet voor onbepaalde tijd kan worden aangegaan, roept wel vraagtekens op. In het arbeidsrecht is een min/max-contract – ook voor onbepaalde tijd – inmiddels een ingeburgerd type arbeidsovereenkomst, waarmee in veel sectoren ervaring is opgedaan. De grote vraag is of op termijn – na evaluatie van de verschillende nieuwe contracttypen voor vervanging door sociale partners – de cao een min/max-contract voor onbepaalde tijd wel toestaat.

Werkgever vrij om te bepalen wie vervangt?

In de akte van het min/max-contract wordt opgenomen voor welke scholen onder het bestuur de vervanger inzetbaar is. Wanneer er op genoemde scholen vraag ontstaat naar de inzet van vervangers, zijn deze scholen gehouden deze vervangers met voorrang op te roepen voor beschikbare vervangingsarbeid, ook wanneer de vervangingsvraag ingevuld zou kunnen worden door (parttime) collega’s die de gegeven vervangingsarbeid op basis van een tijdelijke uitbreiding voor hun rekening zouden willen nemen.

Meer betalen dan minimumaantal uren?

Dat de werkgever bij onvoldoende vervangingswerk niet meer betaalt dan het wekelijkse minimum, is uitgangspunt van het type contract. Toch is er ook sprake van een risico voor de werkgever. De loonbetalingsverplichting kan daarom op grond van artikel 7: 628 BW bij akte gedurende maximaal de eerste 6 maanden van het dienstverband worden uitgesloten. In combinatie met het feit dat het rechtsvermoeden van de arbeidsomvang gebaseerd wordt op de gemiddelde hoeveelheid arbeid verricht in de achterliggende drie maanden (7: 610 b BW), zou een werknemer die structureel meer werkt dan het minimum na zes maanden dienstverband een hoger minimum kunnen claimen. We roepen sociale partners op om nader te onderzoeken of de hier bedoelde 6-maandstermijn bij cao kan worden verlengd voor min/max-contracten tot bijvoorbeeld 12 maanden.

Wat als er geen vervanging nodig is?

Het is de bedoeling van de cao-bepaling dat het min/max-contract alleen wordt gebruikt voor de invulling van voor vervangingswerk. Indien er voor het minimumaantal uren per week geen vervangingswerk beschikbaar is, dan is het mogelijk om de werknemer ander werk te laten doen dan vervangingswerk. Men kan de werknemer met een min-max contract echter niet structureel op eigen formatie inzetten. Het is niet uitgesloten dat het inzetten van de min/max-contractant voor niet-vervangingswerkzaamheden de vergoeding van uitkeringslasten na einde dienstverband in gevaar brengt.

Min/max-contract en regulier dienstverband

Sociale partners nemen het standpunt in dat deze samenloop van een regulier contract en een min/max-contract voor vervanging niet mogelijk is.

Min/max-contract en ziekmelding

Een min/max-contractant is, als het gaat om de verplichtingen rondom re-integratie, te vergelijken met een werknemer met een regulier tijdelijk contract. De werkgever heeft dus de plicht om actief werk te maken van verzuimbegeleiding en re-integratie. Wat betreft de hoogte van de loondoorbetalingsplicht geldt dat de werknemer recht heeft op de gebruikelijke loondoorbetaling bij ziekte over het aantal minimumuren. Tevens geldt er een loondoorbetaling ten aanzien van reeds ingepland werk dat het minimum per week overstijgt. In het Reglement Vervangingsfonds is momenteel geregeld dat de kosten van een werknemer die is benoemd op een min/max-contract worden vergoed zodra deze ingezet wordt op een vervangingsbetrekking in de zin van het Reglement Vervangingsfonds. Het Reglement regelt echter niets met betrekking tot de vervanging van een min/max-contractant als deze zelf ziek wordt. Telefonische informatie hieromtrent wijst uit dat als zo’n werknemer ook daadwerkelijk is ingezet als vervanger, de kosten worden vergoed als hij ziek wordt en op zijn beurt dan dus ook weer vervangen moet worden. Als hij ziek wordt op een moment dat hij geen vervangingswerk doet, kan hij voor het minimumgedeelte van zijn benoeming waarvoor het schoolbestuur hem dan in dienst moet houden, niet worden vervangen. Het bestuur hoeft ook geen premie voor hem te betalen. Het Vervangingsfonds zal hierover nog een publicatie doen uitgaan. Indien schoolbesturen eigenrisicodrager zijn of schoolbesturen in samenwerking een alternatieve verzekeringsvorm hebben ingericht op basis van artikel 11 Reglement Vervangingsfonds (zoals dit geldt voor de bij VGS aangesloten scholen), kunnen andere declaratieregels gelden.

Min/max-contract en uitkeringslasten

Bij de beëindiging van het dienstverband met een min/max-contractant kan de werknemer onder voorwaarden in aanmerking komen voor een wettelijke werkloosheidsuitkering en een bovenwettelijke uitkering op grond van de WOPO (bijlage cao). Ongeacht de inhoudelijke reden voor beëindiging van het dienstverband, kunnen de hiermee gepaard gaande uitkeringslasten worden vergoed door het Participatiefonds (of voor een deel van de VGS-scholen: het fonds BWGS), en wel op grond van het nieuwe artikel 4.64 Reglement Participatiefonds. Voorwaarde is dan wel dat er intern voor de min/max-contractant geen herplaatsingsmogelijkheden zijn en dat vervanger bij einde dienstverband een outplacementaanbod wordt gedaan. Als het gaat om die herplaatsingsmogelijkheden, zit daar wel een pijnpunt. Een belangrijke reden voor een werkgever om een min/max-contract niet voort te zetten, zal verband houden met het voorkomen van het van rechtswege ontstaan van een (min/max-) arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Hoewel deze reden, aldus een toelichting van het Participatiefonds, geen onderwerp is van toetsing door de fondsen, zal gegeven deze reden tot beëindiging het moeilijk te onderbouwen zijn dat er intern geen herplaatsingsmogelijkheden zijn voor de min/max-contractant. De kans is immers aanwezig dat de huidige min/max-contractant wordt vervangen door een nieuwe werknemer met een min/max-contract. Hiermee komt vergoeding van uitkeringslasten in gevaar. Het Participatiefonds ziet het huidige artikel 4:64 echter ook nog als een ‘pleisteroplossing’ voor de uitkeringslasten die het gevolg zijn van de nieuwe contractsvormen voor vervanging. Het Participatiefonds heeft laten weten nog te zoeken naar een betere afstemming van het reglement op het nieuwe min/max-contract (en bindingscontract).

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Toelichting: wettelijke veranderingen

Tot 1 juli 2016 gold op grond van de cao dat binnen een periode van 36 maanden een onbeperkt aantal tijdelijke, elkaar opeenvolgende, arbeidsovereenkomsten met een werknemer overeen gekomen kon worden. Deze situatie is per 1 juli 2016 drastisch gewijzigd: de mogelijkheden om bij cao van de wettelijke ketenbepaling af te wijken zijn sterk ingeperkt.

Op grond van het nieuwe artikel 7:668a BW mogen nog slechts drie opeenvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten met een werknemer gesloten worden. De vierde opeenvolgende arbeidsovereenkomst geldt van rechtswege als aangegaan voor onbepaalde tijd. De keten van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten wordt pas doorbroken wanneer de tussenpozen tussen de arbeidsovereenkomsten meer dan 6 maanden bedragen. Voorts geldt dat de looptijd van de elkaar opeenvolgende arbeidsovereenkomsten niet meer dan 24 maanden mag bedragen. Bij de vaststelling van de genoemde periode van 24 maanden worden de tussenpozen tussen elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten inbegrepen.

De wetgever heeft bepaald dat bij cao in enige mate van de ketenbepaling mag worden afgeweken. Deze uitzondering geldt alleen voor zover de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering deze verlenging of verhoging vereist.

CAO PO 2016-2017 en de ketenbepaling

De wijziging van de ketenregeling vraagt van het onderwijs een heel andere benadering en werkwijze rondom de invulling van vervanging. De cao-partijen bij de CAO PO hebben de gevolgen van nieuwe wettelijke ketenbepaling voor de sector willen verzachten. Hiertoe zijn de volgende maatregelen genomen:

  • Oprekken wettelijke ketenbepaling voor vervangingsbetrekkingen. Voor wat betreft de keten voor vervangingsbetrekkingen is in de CAO PO een verruiming overeengekomen van het maximumaantal toegestane tijdelijke contracten van 3 naar 6, waarbij de maximale looptijd van de contracten (inclusief tussenpozen) geen 24 maar 36 maanden mag bedragen.
  • Nieuwe contractvormen. Naast de oprekking van de ketenbepaling voor vervangingsbetrekkingen zijn nieuwe contractvormen mogelijk gemaakt, die mede moeten bijdragen aan een oplossing voor de gerezen vervangingsproblematiek. Het gaat hier om de volgende contractvormen:
    – algemene vervangingsbenoemingen of -aanstellingen voor bepaalde of onbepaalde tijd, niet gekoppeld aan een met naam genoemde afwezige;
    – Min/max-contract;
    – Bindingscontract.

Leraren behouden voor Randstad erg duur

Het kost ongeveer 400.000 euro om één leraar te behouden voor het voortgezet onderwijs in de Randstad. Dat concludeert Marc van der Steeg die promotieonderzoek heeft gedaan naar onder andere het effect van een hogere inschaling van leraren in de grote steden.

De overheid investeert sinds 2009 circa 60 miljoen euro per jaar om meer leraren in de Randstad in een hogere salarisschaal te kunnen plaatsen. Dit moet de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep in de Randstad vergroten en toekomstige personeelstekorten terugdringen.

Het extra geld heeft volgens de onderzoeker geresulteerd in 20 procentpunt meer leraren die in een hogere schaal zijn geplaatst ten opzichte van scholen buiten de Randstad. Deze hogere schaal geeft uitzicht op 17 procent meer salaris, wat overeenkomt met ruim 7000 euro bruto per jaar.

Het effect van dit beleid is volgens Van der Steeg beperkt. Het heeft geleid tot iets meer behoud van leraren voor de Randstad: circa 125 leraren per jaar op een totaal van circa 30.000. Dit komt volgens hem neer op een bedrag van circa 400 duizend euro dat nodig is om één leraar te behouden voor de Randstad.

Van der Steeg werkt voor het Centraal Planbureau (CPB), dat in 2015 al een rapport van zijn hand publiceerde over de vraag wat het effect is van een hogere beloning van leraren in de Randstad.

Najaarsbijeenkomst over onderwijshuisvesting

Op 1 december is er in Veenendaal een grote najaarsbijeenkomst voor scholen en gemeenten over de toekomst van onderwijshuisvesting. De dag is georganiseerd door Bouwstenen voor sociaal, platform voor maatschappelijk vastgoed.

Het programma van de Najaarsbijeenkomst is gericht op bestuur en beleid met betrekking tot onderwijshuisvesting. Vertegenwoordigers van scholen en gemeenten die bezig zijn met onderwijshuisvesting, kunnen hier kennis en ervaring uitwisselen en elkaar inspireren. Deelnemers kunnen kiezen uit tal van deelsessies, bijvoorbeeld over de aansturing van integrale kindvoorzieningen, de samenwerking in multifunctionele accommodaties (MFA’s) en integrale kindcentra (IKC’s) of de afspraken met gemeenten over renovatie. Maar ook zijn er sessies over onderhoudsplanning en verduurzaming van onderwijsgebouwen en er is een kennismarkt. Aan het eind van de dag wordt de samenwerkingsagenda voor scholen en gemeenten geformuleerd.

In Bouwstenen voor sociaal participeren onder meer de Vereniging Nederlandse Gemeenten, de PO Raad en Hevo, de huisvestingspartner van VOS/ABB. De Najaarsbijeenkomst wordt gehouden in De Basiliek in Veenendaal.

Meer informatie en inschrijven

Waarover wordt vaak gebeld en gemaild?

De Helpdesk van VOS/ABB maakt elke drie maanden een top 10 van actuele kwesties in het onderwijs waarover vaak wordt gebeld en gemaild. Het overzicht wordt gemaakt in samenwerking met de helpdesks van collega-organisaties.

Onderwerp 1

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Onderwerp 2

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Onderwerp 3

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Onderwerp 4

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Onderwerp 5

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Onderwerp 6

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Onderwerp 7

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Onderwerp 8

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Onderwerp 9

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Onderwerp 10

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lees verder…

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Onderwerp 1

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetuer adipiscing elit. Aenean commodo ligula eget dolor. Aenean massa. Cum sociis natoque penatibus et magnis dis parturient montes, nascetur ridiculus mus. Donec quam felis, ultricies nec, pellentesque eu, pretium quis, sem. Nulla consequat massa quis enim.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Cao-onderhandelingen primair onderwijs mislukt

De cao-onderhandelingen in het primair onderwijs zijn geklapt. De sociale partners schuiven elkaar daarvan de schuld in de schoenen.

De PO-Raad meldt dat de cao-onderhandelingen zijn geklapt op de vervanging van zieke leerkrachten in combinatie met de Wet werk en zekerheid (WWZ), die per 1 juli van kracht wordt voor het bijzonder onderwijs.

Salarisverhoging gaat niet door

‘Het breekpunt bleek dat de vakbonden ondanks eerdere toezeggingen alleen mee willen werken aan nul-urencontracten als ieder schoolbestuur afzonderlijk toestemming ophaalt bij de vakbonden. De opstelling van de bonden leidt ertoe dat schoolbesturen een duur contract moeten sluiten met een uitzendbureau’, aldus de werkgevers. Ook kon er tijdens de cao-onderhandelingen geen overeenstemming worden bereikt over de transitievergoeding.

De PO-Raad meldt verder dat door het klappen van de cao-onderhandelingen het loonruimteakkoord niet kan worden uitgevoerd. Dit betekent dat een loonsverhoging van 3 procent niet doorgaat. De sectororganisatie meldt dat het geld dat hiervoor beschikbaar zou komen, nu nodig is om hoge kosten vanwege werkloosheid te dekken.

Halsstarrig, bizar, onverantwoord

De Algemene Onderwijsbond (AOb) beticht de PO-Raad van ‘halsstarrigheid’, een ‘bizarre opstelling’ en ‘onverantwoord’ gedrag. De werkgevers houden volgens de AOb vast ‘aan hun eis dat ze invalleerkrachten zonder noemenswaardige verplichtingen kunnen inhuren’.

De PO-Raad zou van tijdelijke leerkrachten ‘een soort dagloners’ willen maken. Volgens AOb-bestuurslid José Muijres gaat daar ‘natuurlijk geen vakbond mee akkoord’.

Koude Oorlog

Uit haar woorden valt op te maken dat er inmiddels sprake is van een situatie die doet herinneren aan de Koude Oorlog: ‘Njet, was steeds het antwoord van de werkgeversdelegatie.’

CNV Onderwijs formuleert het zonder drama: ‘De PO-Raad antwoordde op alle voorstellen negatief, waardoor werkgevers de kans laten lopen om aanvullende voorwaarden aan de Wet Werk en Zekerheid te koppelen.’

De Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) is teleurgesteld over het mislukken van de cao-onderhandelingen. Deze vakbond zegt dat de PO-Raad ‘alles is geboden’.

Btw-vrijstelling verruimd voor meer samenwerking

Schoolbesturen krijgen ook btw-vrijstelling voor de uitwisseling van onderwijsondersteunend personeel. Met deze verruiming wordt weer een drempel voor samenwerking tussen scholen weggenomen.

Samenwerking is belangrijk en nodig in krimpgebieden en de rijksoverheid wil ook doorlopende leerlijnen stimuleren. Deze maatregel maakt btw-vrijgestelde samenwerking tussen basisscholen en voortgezet onderwijs en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs mogelijk.

Eerder was er al btw-vrijstelling voor het onderwijzend personeel, maar deze vrijstelling gold nog niet voor bijvoorbeeld roostermakers, klassenassistenten of schoonmakers. De Hoge Raad heeft uitgesproken dat het verzorgen van onderwijs een ‘ondeelbare eenheid’ is en er dus geen onderscheid tussen verschillende taken gemaakt mag worden.

Alle werknemers die bijdragen aan het verzorgen van onderwijs vallen voortaan onder de onderwijsvrijstelling, zo stelt de Hoge Raad. Dankzij een akkoord tussen de ministeries OCW en Financiën en de Belastingdienst wordt bestaande Europese regelgeving herzien.

Cursus ‘Dossieropbouw bij ontslag’

Jaarlijks wordt, door de werkgever of de leidinggevende, met de werknemer besproken hoe hij functioneert in zijn functie en binnen de organisatie. Als blijkt dat een werknemer onvoldoende functioneert, dan zullen er verdere stappen ondernomen moeten worden.

Welke stappen er genomen moeten worden, hangt af van het knelpunt in het functioneren. Aan de hand van dat knelpunt kan een verbeteringstraject worden ingezet. Van belang bij dit traject is dat er voldoende dossieropbouw plaatsvindt, zodat het verbeteringstraject gemonitord en bijgesteld kan worden. Daarnaast is goede dossieropbouw van belang om ervoor te zorgen dat aan het einde van het traject een maatregel kan worden genomen. In het ergste geval is dat ontslag.

In deze cursus zullen we ingaan op dossieropbouw en de wijze waarop dit besproken dient te worden met de werknemer die onvoldoende functioneert. In dat kader zullen de volgende onderwerpen aan bod komen:

  • Gesprekkencyclus
    – Functionerings- en beoordelingsgesprekken
  • Opbouw dossier
    – Gesprek aangaan over disfunctioneren
    – Het verbetertraject
    – Verslaglegging
  • Verdere stappen na constatering disfunctioneren
    – Plichtsverzuim
    – Schorsing
    – Ontslag

Het doel van de cursus is dat de deelnemers inzicht krijgen in een adequate dossieropbouw. Dit proberen we te bereiken door de verschillende stappen in een ongeschiktheidstraject te bespreken. Vragen die daarbij een rol spelen:

  • Hoe signaleert u een disfunctionerende werknemer en hoe pakt u dat vervolgens aan?
  • Welke weg gaat u op in het verbeteringstraject en wat is van belang om daarbij vast te leggen?
  • Welke maatregelen kunt u nemen aan het einde van het traject?

De cursus zal voor een groot deel bestaan uit de overdracht van theorie, maar binnen de bijeenkomst zullen ook plenair casussen worden besproken. Natuurlijk is er ook ruimte om vragen te stellen een specifieke casus in te brengen.

Wanneer en waar?
Deze cursus vindt plaats op donderdag 19 mei 2016 (VOL!) en op donderdag 26 mei 2016 in het kantoor van VOS/ABB in Woerden. De cursus begint om 13.00 uur (inloop kwartier van tevoren) en eindigt om ongeveer 16.30 uur.

De cursus is relevant voor leidinggevenden, maar ook voor personen die zich bezig houden met het personeelsbeleid. Te denken valt aan P&O’ers, HRM’ers, teamleiders, schooldirecteuren en bestuurdersleden.

Aanmelden
De cursusbijeenkomst is uitsluitend toegankelijk voor leden van VOS/ABB. Er zijn geen kosten aan verbonden. Niet-leden kunnen deze middagcursus niet volgen.

U kunt zich online aanmelden via . Vermeld in uw aanmeldingsmail ‘Cursus Dossieropbouw bij ontslag’. Vermeld ook duidelijk uw naam, de organisatie waarvoor u werkt en het telefoonnummer waarop wij u kunnen bereiken.

Let op: per schoolbestuur mogen maximaal twee personen zich inschrijven voor deelname aan deze cursus. Bij minder dan acht deelnemers kan de cursus helaas niet doorgaan.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

PO-Raad: digitalisering onderwijs niet te betalen

Onder andere de overgang van het ‘gewone’ schoolbord naar het digibord heeft het onderwijs duurder gemaakt, zegt voorzitter Rinda den Besten van de PO-Raad in NRC Handelsblad.

‘Vroeger ging een schoolbord tientallen jaar mee. Nu hangen er digiborden in de klas die je binnen vijf jaar afschrijft. Net zoals de software die leerkrachten gebruiken voor lesmethodes en hun administratie, zoals het leerlingvolgsysteem’, zo luidt het antwoord van Den Besten op de vraag of het onderwijs nu duurder is dan dertig jaar geleden. 

Het leidt er volgens haar toe dat scholen noodgedwongen tientallen jaren met meubilair, boeken en speelgoed doen. ‘Zo gebeurt het ook dat lesmethodes, die je eigenlijk binnen zes jaar moet afschrijven, wel tien jaar gebruikt worden. Wij zeggen hier wel eens tegen elkaar: als Zwarte Piet van kleur verandert, dan zie je dat waarschijnlijk pas over tien jaar terug in de onderwijsboeken.’

Het is volgens de voorzitter van de PO-Raad niet haalbaar om meer digitale leermiddelen in het onderwijs toe te passen en kinderen te onderwijzen in ICT. ‘Daar is helemaal geen geld voor. Waar moeten basisscholen überhaupt nieuwe computers van betalen? En dat is kwalijk, want we stomen onze kinderen op deze manier niet klaar voor de toekomst.’

Dekker: argwaan SP over vroege selectie onterecht

‘De basisscholen zijn eigenaar van hun eigen schooladvies. Ze bepalen zelf hoe dit advies tot stand komt en welke gegevens ze daarbij betrekken.’ Dat schrijft staatssecretaris Sander Dekker van OCW in antwoord op Kamervragen van de SP.

Tweede Kamerlid Tjitske Siderius wilde weten wat Dekker ervan vindt dat basisscholen de entreetoets van groep 7 gebruiken als eerste (pre)adviesmoment voor het uiteindelijke schooladvies. Zij dacht hieraan de conclusie te kunnen verbinden ‘dat de vroege selectie op een nog eerder moment plaatsvindt dan voorheen’.

Dekker zegt dat dat onzin is. Hij stelt dat het aan de basisscholen is om er al of niet voor te kiezen om de entreetoets van groep 7 mee te wegen. ‘Dit instrument wordt al jarenlang door veel scholen als hulpmiddel benut om uiteindelijk in groep 8 te komen tot het schooladvies. Dit is ook niet verwonderlijk, omdat de entreetoets specifiek is ontwikkeld om de school en de leerling inzicht te geven in het best passende vervolgonderwijs.’

Siderius heeft het volgens hem echt bij het verkeerde eind door te veronderstellen dat er sprake zou zijn van een vroegere selectie dan voorheen doordat scholen de entreetoets gebruiken.

Steun voor beoordeling van leraren door leerlingen

In de Tweede Kamer is steun te vinden voor een voorstel om scholieren in het voortgezet onderwijs hun docenten te laten beoordelen. Dat meldt de nieuwssite Nu.nl.

Het voorstel komt van het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) en krijgt steun van onder anderen Tweede Kamerlid Karin Straus van de VVD. Zij wil dat het oordeel van leerlingen over leraren onderdeel gaat uitmaken van het personeelsbeleid van vo-scholen.

Ook de PvdA is voorstander. Kamerlid Tanja Jadnanansing wil volgens Nu.nl dat leerlingen kunnen meepraten over de kwaliteit van hun onderwijs.

Lees meer…

VOS/ABB zoekt twee nieuwe bestuursleden

Wilt u zich met ons inzetten voor het beste openbaar en algemeen toegankelijk primair en voortgezet onderwijs? De vereniging VOS/ABB zoekt twee nieuwe bestuursleden. 

Het bestuur van VOS/ABB bestaat uit zeven personen. Zij zijn allen als directeur/bestuurder werkzaam voor een bij VOS/ABB aangesloten organisatie.

Twee huidige bestuursleden treden terug, omdat zij de statutair vastgestelde maximale bestuurstermijn bereiken.

Reageren kan tot 1 september.

Lees meer…

In onderwijs 35% minder WW-uitkeringen voor jongeren

In het onderwijs is het aantal nieuwe werkloosheidsuitkeringen voor jongeren onder de 27 jaar met een mbo-opleiding fors gedaald. Dat blijkt uit de publicatie Basiscijfers Jeugd van uitkeringsinstantie UWV en de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (S-BB).

In de periode van oktober tot en met maart 2014 waren er in het onderwijs 1041 nieuwe WW-uitkeringen voor jongeren tot 27 jaar met een mbo-opleiding Dat aantal kwam in de periode van oktober tot en met maart van dit jaar uit op 675. Dat is een afname met 35 procent.

Hiermee is het onderwijs de sector met de sterkste daling van het aantal nieuwe WW-uitkeringen. In de landbouw was een lichte stijging te zien, terwijl in de detailhandel en het openbaar bestuur en bij de overheidsdiensten de daling maar heel klein was.

Het UWV en S-BB merken in hun publicatie op dat het aantal nieuwe WW-uitkeringen aan jongeren met een mbo-opleiding een indicatie geeft van de arbeidsmarktontwikkelingen en de kansen die zij in de verschillende sectoren hebben.

Europese prijs voor educatieve game MediaMasters

De internationale Evens Prijs voor Media-Educatie is gewonnen door de Nederlandse serious game MediaMasters. De prijs is uitgereikt tijdens het Media Meets Literacy-event in de Poolse hoofdstad Warschau.

De tweejaarlijkse prijs wordt toegekend aan het meest succesvolle Europese initiatief dat kinderen van 9 tot 16 jaar verantwoordelijk en constructief met social media leert omgaan. Het interactieve spel MediaMasters leert jaarlijks tienduizenden kinderen in groep 7 en 8 van de basisschool om kritisch en bewust met (social) media om te gaan.

Volgens de jury is MediaMasters ‘een uitstekend voorbeeld voor andere Europese programma’s op het gebied van media-educatie’. In 2014 deden ruim 80.000 kinderen mee aan MediaMasters.

MediaMasters is een initiatief van expertisecentrum Mediawijzer.net in samenwerking met omroeporganisatie NTR, gameontwikkelaar Flavour, filmbureau Bleck Media en communicatiebureau De Issuemakers.

Lees meer…

Het meinummer van magazine School! van VOS/ABB en de Vereniging Openbaar Onderwijs besteedt aandacht aan mediawijsheid. Lees het artikel Mediawijsheid is meer dan alleen knoppenkennis.

PO-Raad wil huisvesting níet terugbrengen naar gemeenten

De PO-Raad wil niet dat de gemeenten weer volledig verantwoordelijk worden voor onderwijshuisvesting. Een bericht in dagblad Trouw van die strekking komt niet overeen met wat de sectororganisatie van het primair onderwijs nastreeft, zo laat woordvoerder Harm van Gerven aan VOS/ABB weten.

Trouw kwam onlangs met een artikel over financiële gevolgen van de toenemende leegstand in schoolgebouwen. Niet alleen in plattelandsgebieden met demografische krimp, maar ook in steden staan steeds meer lokalen leeg.

De leegstand kost het primair onderwijs miljoenen euro’s. ‘Dat geld gaat dus niet naar onderwijs, het sijpelt weg’, zo citeert Trouw voorzitter Rinda den Besten van de PO-Raad. ‘Dit is een groot probleem en niemand wil er eigenaar van zijn. We laten zo een stiekeme bezuiniging toe op onderwijs.’

Leegstand soms 20 procent
Uit recent onderzoek van Daniël Vos van de TU Delft blijkt dat 8 procent van de schoolruimte overtollig is. Den Besten vindt 8 procent ‘nog aan de voorzichtige kant’, zo schrijft Trouw. ‘In sommige gebieden gaat de leegstand richting 20 procent.’ De gebruikelijke leegstandsmarge om schommelingen in het aantal leerlingen op te vangen is 4 procent.

In plaats van de scholen zelf zouden gemeenten verantwoordelijk moeten zijn voor de huisvesting, vindt Den Besten volgens Trouw. ‘Ik snap dat ze daar niet op zitten te wachten, want een leeg lokaal kun je niet zo makkelijk verhuren. In de grote steden lukt dat soms nog wel met kinderopvang, een peuterspeelzaal of werkplekken voor zzp’ers. Maar in krimpgebieden zitten ze ook al met leegkomende bejaardenhuizen en bibliotheken’, zo laat de krant haar zeggen.

Doordecentralisatie
Het zou op zijn minst opmerkelijk zijn geweest als Den Besten dit inderdaad zou vinden, omdat de laatste jaren er mede door de PO-Raad juist voor is gepleit om de schoolbesturen meer verantwoordelijkheid te geven op het gebied van onderwijshuisvesting. Sinds 1 januari van dit jaar zijn daarom de verantwoordelijkheid en het budget voor het buitenonderhoud van schoolgebouwen overgeheveld van de gemeenten naar de schoolbesturen: de zogenoemde doordecentralisatie.

Desgevraagd laat woordvoerder Harm van Gerven de PO-Raad aan VOS/ABB weten dat de passage over de verantwoordelijkheid voor de huisvesting ‘wat ongelukkig’ in het artikel van Trouw terecht is gekomen. ‘Natuurlijk willen wij niet dat de verantwoordelijkheid voor de huisvesting volledig bij de gemeenten komt te liggen’, aldus Van Gerven.

Hij vervolgt: ‘Wij vinden – zeker als er sprake is van krimp – dat de gemeenten wel een verantwoordelijkheid hebben om samen tot oplossingen te komen. Scholen mogen immers niet zonder meer hun lokalen aan anderen verhuren. Zij moeten dat overleggen met de gemeente. Wij hopen dat gemeenten daarbij hun verantwoordelijkheid nemen en samenwerken, zodat de kosten voor de leegstand van lokalen niet volledig op het onderwijs drukt.’