Afkomst en religie bepalen mate van homo-acceptatie

Etnische en religieuze verschillen in homo-acceptatie zijn al op jonge leeftijd aanwezig. Met name islamitische leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond denken negatief over homoseksualiteit. Dat meldt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het rapport De acceptatie van homoseksualiteit door etnische en religieuze groepen in Nederland.

Onder islamitische Turkse en Marokkaanse leerlingen zijn de reacties op homoseksualiteit in het openbaar overwegend negatief en een groot deel zou een homoseksueel niet toelaten tot de vriendenkring. Ook geeft ruim eenderde aan problemen te hebben met een homoseksuele docent(e). Onder hindoeïstische leerlingen is de weerstand minder sterk.

Veel protestants-christelijke leerlingen die aangeven dat het geloof belangrijk voor hen is, hebben ook moeite met de acceptatie van homoseksualiteit. Onder katholieke leerlingen is die weerstand minder groot. Homo’s worden het meest geaccepteerd door autochtone leerlingen zonder religieuze achtergrond. Over het algemeen is de weerstand tegen lesbische meisjes minder sterk dan tegen homoseksuele jongens.

In de kernwaarden van het openbaar onderwijs staat dat algemene toegankelijkheid en algemene benoembaarheid betekenen dat alle leerlingen en werknemers welkom zijn, ‘ongeacht hun levensovertuiging, godsdienst, politieke gezindheid, afkomst, geslacht of seksuele geaardheid’.