Wat doet het kabinet voor achterstandsscholen?

Het kabinet doet er van alles aan om in het primair onderwijs zogenoemde achterstandsscholen beter te equiperen, meldt onderwijsminister Arie Slob in antwoord op Kamervragen van de SP.

SP’er Peter Kwint wilde van de minister weten hoe hij ervoor gaat zorgen dat achterstandsscholen meer leraren kunnen aantrekken van hoge kwaliteit, ‘zodat collega’s van hen kunnen leren en leerlingen een eerlijkere kans krijgen’.

Slob antwoordt dat schoolbesturen geld uit hun lumpsum- en onderwijsachterstandenbudget kunnen inzetten ‘voor het aantrekken van goede leraren en het bijscholen van zittend personeel’. De nieuwe verdeling van het geld voor onderwijsachterstandenbeleid leidt er volgens hem toe dat het terechtkomt ‘op de plekken waar de achterstanden het grootst zijn’.

Meer begeleiding op achterstandsscholen

Bovendien wijst de minister erop dat voor het afgelopen en nieuwe schooljaar aanvullend in ruim 5,8 miljoen euro beschikbaar is voor een pilot voor het vrijroosteren van leraren. ‘Leraren werken in de vrijgekomen uren aan de versterking van hun pedagogisch-didactisch handelen of geven extra begeleiding aan leerlingen met veel achterstanden en gebrekkige studievaardigheden’, aldus Slob.

Hij voegt daaraan toe dat er vanuit de Gelijke Kansen Alliantie op verschillende plaatsen in Nederland met cofinanciering van het ministerie van OCW eraan wordt gewerkt om leraren verder te professionaliseren in urban teaching oftewel het lesgeven in grootstedelijke contexten.

Lees meer…

Wat zijn effectieve interventies tegen leerachterstanden?

Het Centraal Planbureau (CPB) geeft in de notitie Effectieve interventies leerachterstanden in het primair onderwijs acht tips.

Hieronder staan de tips voor effectieve interventies om leerachterstanden tegen te gaan. Voor de volledige toelichting op deze tips gaat u naar de CPB-publicatie.

  1. Zet een goede docent voor de klas
    Dit maakt veel uit voor wat een kind leert. Dat geldt voor alle kinderen en dus ook voor kinderen met een lage sociaaleconomische status.
  2. Geef kleuters uit achterstandsposities extra reguliere lessen
    Geef vooral geen extra lessen die ver staan van de reguliere praktijk.
  3. Zet assistenten in voor onderwijsinhoudelijke taken
    Op die manier verbeteren de assistenten de leerprestaties.
  4. Verklein de klas
    Doe dit vooral voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, een migratieachtergrond en/of in klassen met een nog onervaren docent.
  5. Daag kinderen uit
    Dit geldt voor alle kinderen.
  6. Zet een zomerschool op
    Ga daarin veel lezen met kinderen. Dat voorkomt kennisverlies in de vakantie.
  7. Stimuleer kinderen thuis te lezen in de zomervakantie
    Ook dit voorkomt kennisverlies in de vakantie.
  8. Stimuleer en ondersteun ouders samen met het kind te leren
    Dat kan met concrete tips, afgestemd op hun kind.

Download de CPB-notitie

Geld onderwijsachterstanden anders verdeeld

‘Het geld dat gemeenten en scholen krijgen om risico’s op onderwijsachterstanden bij kinderen tegen te gaan, wordt beter verdeeld over het land’, meldt de website van de rijksoverheid. De ministerraad heeft op voorstel van onderwijsminister Arie Slob ingesteld met de andere verdeling.

De komende jaren gaat het budget, zoals afgesproken in het regeerakkoord, met 170 miljoen euro omhoog voor gemeenten. Scholen krijgen structureel 260 miljoen euro. ‘Daarmee komt de totale investering van het kabinet in het bieden van onderwijskansen aan kinderen uit op 746 miljoen euro’, zo staat op rijksoverheidswebsite.

Het kabinet zegt voor een verdeelsleutel te kiezen ‘waarmee de onderwijskansen worden vergroot van kinderen die dit het hardst nodig hebben’. In het nieuwe systeem gaat minder meetellen waar een kind woont: er wordt meer gekeken naar het risico op een achterstand dan of het kind in een kleine of grote gemeente woont.

Minister Slob zegt daar dit over: ‘Ik wil dat ieder kind in Nederland, ongeacht in welke omgeving het opgroeit, de kans krijgt om zijn gaven en talenten tot bloei te laten komen. Alles overwegende lukt dat het beste als we het geld hiervoor op deze manier verdelen.’

Lees meer…

Achterstand in Nederland minder bepalend dan elders

Nederland behoort nog steeds tot de landen waar relatief veel leerlingen uit lagere sociale klassen het goed doen in het onderwijs. Gegevens van de OESO laten echter wel negatieve ontwikkeling in ons land zien.

Het Programme for International Student Assessment (PISA) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft onderzocht hoeveel 15-jarige leerlingen uit gezinnen met een lage sociaal-economische status presteren op niveau 3 op het gebied van lezen, wiskunde en natuurwetenschappen. Niveau 3 betekent onder meer dat ze een tekst goed kunnen begrijpen, wiskundige problemen kunnen oplossen en goed kunnen omgaan met natuurwetenschappelijke onderwerpen.

In 2006 presteerde 38 procent van de Nederlandse leerlingen uit gezinnen met een lage sociaal-economische status op niveau 3. Bij de jongste meting in 2015 was dat gedaald naar 33 procent. Nederland staat op een lijst met 78 onderzochte landen op plaats 10. Als alleen naar Europa wordt gekeken, staat ons land op plaats 3. Alleen Finland en Estland doen het beter dan Nederland, waarbij moet worden opgemerkt dat de situatie met name in het alom bejubelde Finland de afgelopen jaren sterk is verslechterd.

Hoewel het percentage in Nederland is gedaald, noemt de OESO ons land nog steeds ‘academisch veerkrachtig’, in die zin dat de sociaal-economische klasse relatief weinig invloed heeft op de prestaties van leerlingen.

Westerse landen met een sterk verband tussen lage sociaal-economische status en een laag prestatieniveau van leerlingen, zijn onder andere Israël, Luxemburg, Italië en de Verenigde Staten.

Lees meer…

‘Geen bezuiniging op onderwijsachterstandenbeleid’

Demissionair staatssecretaris Sander Dekker van OCW spreekt tegen als zou hij 65 miljoen euro bezuinigen op het onderwijsachterstandenbeleid.

GroenLinks-Kamerlid Rik Grashoff wilde naar aanleiding van een brandbrief van de gemeenten weten of Dekker voornemens is ‘de bezuiniging van 65 miljoen euro op het onderwijsachterstandenbeleid terug te draaien’.

De staatssecretaris zegt dat er geen sprake is van een bezuiniging, maar van een ‘ramingsbijstelling ten gevolge van de algemene leerlingendaling in het primair onderwijs en vanwege het feit dat het opleidingsniveau van ouders stijgt’.

Hij wijst er ook op dat bij de vaststelling van de onderwijsbegroting voor 2016 de Tweede Kamer heeft ingestemd met de ramingsbijstelling.

Lees meer…

Veel meer geld nodig voor gelijke kansen

In een brandbrief van onder andere de PO-Raad staat dat er veel meer geld moet naar het onderwijsachterstandenbeleid en voor- en vroegschoolse educatie (vve). De brief, die is gericht aan de Tweede Kamer, staat in het teken van gelijke kansen voor alle kinderen.

In de brandbrief slaan de afzenders alarm over een door het kabinet aangekondigde bezuiniging van 65 miljoen euro in 2018 op het budget voor schoolbesturen en gemeenten voor onderwijsachterstandenbeleid. Ook trekken ze aan de bel over een voorgestelde herverdeling van het beschikbare geld. Door die herverdeling zouden met name grote gemeenten minder geld krijgen, terwijl kleinere gemeenten meer zouden krijgen.

De brandbrief gaat tevens in op een recent rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Daaruit blijkt volgens de afzenders dat er een verdubbeling van het budget nodig is, omdat het aantal kinderen met een groot risico op achterstand meer dan twee keer zo groot zou zijn als waar het kabinet van uitgaat.

‘Wij willen alles op alles zetten om voor alle kinderen een goede start mogelijk te maken. Maar het kabinet dreigt af te breken wat in de voorscholen en het primair onderwijs is opgebouwd’, aldus de afzender van de brandbrief.

Download de brandbrief die mede is ondertekend door de VO-raad, belangenorganisatie Ouder & Onderwijs, de schoolleidersvakbond AVS, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en andere gemeentelijke organisaties en organisaties in de kinderopvang.

Herverdeling achterstandsgeld door nieuwe indicatoren

Een nieuwe regeling met andere indicatoren voor het bepalen van onderwijsachterstanden zal leiden tot een herverdeling van het geld dat daarvoor beschikbaar is. Hoe die herverdeling over de scholen en gemeenten eruit gaat zien, hangt af van nog te maken keuzes van het ministerie van OCW, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW wil dat onderwijsachterstanden beter in kaart worden gebracht. Daarnaast wil hij door gebruik te maken van centraal geregistreerde data de administratieve lasten van de scholen verminderen. In de huidige regeling stellen scholen zelf het gewicht van de leerlingen vast door bij ouders na te vragen wat het opleidingsniveau is. Dit levert de scholen veel administratie op.

Op verzoek van Dekker heeft het CBS een aantal inidicatoren bepaald op basis waarvan onderwijsachterstanden het beste kunnen worden bepaald. Deze indicatoren kunnen worden bepaald op basis van centraal geregistreerde data:

  • opleidingsniveau van de moeder en de vader;
  • gemiddelde opleidingsniveau van de moeders op de school;
  • het land van herkomst van de ouders;
  • de verblijfsduur van de moeder in Nederland;
  • of het gezin in de schuldsanering zit.

Het CBS heeft op basis van deze indicatoren een vergelijking gemaakt met de huidige onderwijsachterstandenregeling. Uit de analyses van het CBS blijkt dat er herverdeeleffecten zullen optreden. ‘Er zijn zowel scholen als gemeenten die volgens de nieuwe berekening relatief hoog scoren en in de huidige regeling een relatief lage positie hebben en vice versa’, zo meldt het CBS.

Hoe groot deze effecten precies zijn, kan volgens het CBS pas worden bepaald nadat duidelijk is geworden hoe het ministerie van OCW het onderwijsachterstandenbeleid gaat herzien.

Lees meer…

Nieuwe indicator onderwijsachterstandenbeleid

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW verwacht begin januari de eindrapportage te kunnen presenteren van een onderzoek naar een nieuwe indicator voor het onderwijsachterstandenbeleid.

Het onderzoek wordt uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), dat het eerste deel ervan afgelopen najaar heeft afgerond. Naar aanleiding daarvan was er op 14 december een eerste bijeenkomst met informatie over de nieuwe indicator.

Voorspelmodel onderwijsachterstandenbeleid

In de eindfase van het onderzoek worden de resultaten vertaald naar een voorspelmodel voor de invloed van specifieke omgevingskenmerken op de onderwijsprestaties van leerlingen. Het gaat bijvoorbeeld om het opleidingsniveau van de ouders, het land van herkomst en de verblijfsduur in Nederland en de vraag of een gezin in de schuldsanering zit.

Het is de bedoeling dat de nieuwe indicator wordt gebruikt voor zowel de gewichtenregeling voor scholen als voor de verdeling van het geld voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.

Lees meer…

PO-Raad wil meer geld voor achterstandsleerlingen

Er moet meer geld naar onderwijs aan achterstandsleerlingen. Daarvoor pleit voorzitter Rinda den Besten van de PO-Raad, meldt RTL Nieuws.

Het budget voor onderwijs aan achterstandsleerlingen gaat de komende jaren omlaag. Dat komt doordat het aantal ouders met een laag opleidingsniveau afneemt. In 2011 waren er 186.000 achterstandsleerlingen, vorig jaar waren dat er 134.000 en de komende jaren zal dat aantal verder afnemen.

Meer achterstandsleerlingen

Den Besten zegt bij RTL Nieuws dat het opleidingsniveau van de ouders geen goede graadmeter is. Ze wijst op kinderen uit Midden- en Oost-Europese landen, van wie de ouders niet laag zijn opgeleid. Deze kinderen hebben ook een achterstand, omdat ze vaak nog geen Nederlands spreken als ze hier naar school gaan.

Er zijn volgens Den Besten nog meer bepalende factoren: ‘Het gaat niet alleen om de scholing van ouders. Daar is de wetenschap al lang over uit: het gaat ook om inkomensniveau, etniciteit, welke taal wordt er thuis gesproken, waar groei je op, hoe is jouw wijk? Al die factoren horen bij een goed achterstandenbeleid.’

PO-Raad wil andere criteria achterstandsleerling

De criteria die bepalen of een kind een achterstandsleerling is, moeten worden aangepast. Aanleiding voor dit pleidooi van de PO-Raad is het feit dat schoolbesturen veel geld toeleggen op het onderwijs aan vluchtelingenkinderen.

De PO-Raad meldt op basis van een peiling onder basisscholen met asielzoekersleerlingen dat tweederde van de scholen geld toelegt op het onderwijs aan deze groep kinderen. Gemiddeld gaat het om 850 euro per leerling per jaar.

Bijna alle scholen geven aan dat twee jaar extra geld nodig is om goed onderwijs voor vluchtelingenkinderen te organiseren, maar staatssecretaris Sander Dekker van OCW vindt één jaar voldoende. De Tweede Kamer nam weliswaar motie aan om scholen twee jaar extra geld te geven, maar die motie heeft Dekker naast zich neergelegd.

Nu vaak geen achterstandsleerling

De staatssecretaris stelt dat scholen via het onderwijsachterstandenbeleid al geld krijgen om onderwijs voor vluchtelingenkinderen van te betalen ná het eerste jaar. De PO-Raad wijst erop dat alleen kinderen van wie de ouders minder dan twee jaar voortgezet onderwijs hebben gevolgd, worden gezien als achterstandsleerlingen. De helft van de vluchtelingenkinderen behoort hier niet toe.

Daarom pleit de PO-Raad voor nieuwe criteria op basis waarvan bepaald wordt of een leerling een potentiële achterstandsleerling is die extra ondersteuning nodig heeft.

Dekker houdt voet bij stuk

Staatssecretaris Dekker laat in reactie op de oproep van de PO-Raad weten dat hij niet bereid is meer geld te investeren in goed onderwijs voor asielzoekerskinderen, meldt nieuwssite NU.nl.

Kamer wil af van korting op achterstandsgeld

Een meerderheid in de Tweede Kamer wil niet dat er bezuinigd wordt op het achterstandsgeld. Staatssecretaris Sander Dekker van OCW vindt dat oké, maar dan moet de Kamer wel aangeven waar het geld vandaan moet komen.

Onder andere de vier grote steden, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de PO-Raad trekken aan de bel over een door Dekker ingeboekte korting op het budget voor het voorkomen en wegwerken en achterstanden bij bepaalde groepen leerlingen. Ze willen dat het budget dat dit jaar beschikbaar is, wordt bevroren.

Gevreesd wordt dat met minder achterstandsgeld de kloof tussen achterstandskinderen en leerlingen die geen achterstanden hebben groter wordt. Dat is nou net de ontwikkeling die de Inspectie van het Onderwijs met een grote mate van bezorgdheid signaleert in het rapport De Staat van het Onderwijs.

De Kamer heeft donderdag aangegeven dat er niet bezuinigd zou mogen worden. Dekker vindt dat geen slecht idee, maar hij vindt ook dat de Kamer dan wel met een oplossing moet komen voor het financiële gat dat hierdoor zou ontstaan.

Minder achterstandsgeld nodig?

De staatssecretaris heeft eerder aangegeven dat de gemeenten in 2017 2,8 procent minder achterstandsgeld krijgen dan in 2016. Dekker zegt dat dit samenhangt met een daling van het aantal kinderen en een stijging van het opleidingsniveau van ouders.

Een voorgenomen herverdeling van het achterstandsgeld, die ten koste zou gaan van de grote steden en ten gunste zou komen van plattelandsgemeenten, gaat niet door, zo heeft Dekker aan de Tweede Kamer laten weten.

Minder achterstandsleerlingen, maar niet overal

In het primair onderwijs is het aantal achterstandsleerlingen verder afgenomen. Dat staat in het rapport Kinderen in tel 2014 van het Verwey-Jonker Instituut.

Waren er in 2000 nog ruim 447 duizend achterstandsleerlingen, in 2012 waren dit er bijna 174 duizend. Dat is ruim 11 procent van het aantal 4- t/m 12-jarige leerlingen. Het gaat hierbij om kinderen met een leerlinggewicht hoger dan 0.

De gestage daling doet zich in het hele land voor, behalve in de provincie Groningen. Daar was in 2011 een lichte stijging te zien van het aantal achterstandsleerlingen, maar in 2012 nam dat aantal weer af. De provincies Friesland, Drenthe en Utrecht hebben het minste aantal achterstandsleerlingen. Zuid-Holland blijft aan kop.

In 2012 hadden 107 gemeenten een percentage achterstandsleerlingen dat hoger lag dan het landelijke gemiddelde. Rotterdam blijft bovenaan staan, gevolgd door de buurgemeenten Schiedam en Vlaardingen. Opvallend is dat er in de gemeente Vlaardingen een forse stijging was van het aandeel achterstandsleerlingen was van ruim 22 procent in 2010 tot bijna 25 procent in 2011.

Andere gemeenten met veel achterstandsleerlingen zijn Amsterdam, Den Haag, Staphorst, Pekela, Reimerswaal, Kerkrade en Roermond.

Dekker brandt zijn vingers niet aan etniciteit

Het opleidingsniveau van de ouders blijft de bepalende factor in de gewichtenregeling. De factor ‘etniciteit’ blijft buiten beschouwing voor het toekennen van achterstandsgeld. Dat blijkt uit een brief die staatssecretaris Sander Dekker van OCW naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

De brief van Dekker gaat over de resultaten van het onderzoek naar de gewichtenregeling en de vervolgstappen die op grond van die resultaten nodig zijn.

Het onderzoek laat onder andere zien dat de hoge foutmarge in de praktische uitvoering van de gewichtenregeling komt door de complexiteit van de regeling in combinatie met onvoldoende kennis van de uitvoering van de regeling bij veel basisscholen en in sommige gevallen een gebrekkige leerlingenadministratie. Bovendien hangt de hoge foutmarge samen met het feit dat de basisscholen afhankelijk zijn van de kwaliteit van de informatie die de ouders aan ze geven.

Anders organiseren?
Dekker heeft gekeken of het mogelijk is de gewichtenmiddelen op andere gronden te verdelen en de benodigde informatie niet meer door de scholen maar centraal aan te laten leveren. De beste indicatoren van onderwijsachterstanden zijn het opleidingsniveau van de ouders, hun etniciteit, de taal die kinderen thuis spreken en –in mindere mate– het huishoudinkomen. Alleen etniciteit en huishoudinkomen zijn centraal beschikbaar.

Hoewel de Onderwijsraad in september 2013 adviseerde om achterstandsgelden voor basisscholen weer toe te kennen op basis van het opleidingsniveau van de ouders in combinatie met hun etniciteit, kiest Dekker niet voor herinvoering van die laatste (omstreden) factor. Tot 2006 telde de afkomst van de ouders nog mee, maar toenmalig minister Maria van der Hoeven van OCW maakte daar een einde aan.

Zonder de factor etniciteit is de hoogte van het huishoudinkomen niet voldoende om leer- en ontwikkelachterstanden te kunnen (h)erkennen. Dekker blijft daarom (veiligheidshalve) bij de huidige indicator van opleidingsniveau van de ouders, zonder dat hij gebruikmaakt het (politiek gevoelige) element ‘etniciteit’.

Anders registreren?
Het opleidingsniveau van de ouders kan ook anders worden geregistreerd dan via de school. Mogelijk kunnen de systemen van de jeugdgezondheidszorg daarvoor worden gebruikt. Dit zal nader worden onderzocht. Tevens zal Dekker laten onderzoeken waar er verbetering mogelijk is ten aanzien van de soort gewichten en de verdeling ervan. In de loop van het jaar verwacht hij met de uitkomsten van deze twee onderzoeken te komen.

Daarop vooruitlopend wil de staatssecretaris nu al het systeem verbeteren om het aantal fouten te verminderen. Hij zal de uitvoering vereenvoudigen en de ondersteuning van de basisscholen op dit vlak uitbreiden. Daarnaast zullen de controle en handhaving worden aangescherpt om basisscholen te dwingen tot een zorgvuldige administratie.

Horizontale verantwoording
De Onderwijsraad adviseerde vorig jaar ook dat de basisscholen zich moeten verantwoorden voor hun achterstandenbeleid. Dekker is het daarmee eens. Hij benadrukt dat die verantwoording dient te gebeuren naar het schoolbestuur, de ouders en andere belanghebbenden. Dit kan bijvoorbeeld via Vensters PO.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Onderwijsraad wil etniciteit weer in gewichtenregeling

De Onderwijsraad vindt dat achterstandsgeld voor basisscholen weer moet worden toegekend op basis van het opleidingsniveau van de ouders in combinatie met hun etniciteit. Daarmee adviseert de raad om de gewichtenregeling die toenmalig minister Maria van der Hoeven van OCW in 2006 invoerde, terug te draaien.

Sinds 1985 ontvangen scholen extra geld als zij veel achterstandsleerlingen hebben. Tot 2006 werd dit zogenoemde gewichtengeld toegekend op basis van het opleidingsniveau en de afkomst van de ouders van leerlingen. Omdat relatief weinig achterstandsgeld naar (plattelands)scholen met veel autochtone achterstandsleerlingen ging, schrapte toenmalig minister Van der Hoeven het criterium ‘etniciteit’. Sinds 2006 krijgen scholen het geld alleen op grond van het opleidingsniveau van de ouders.

Uit onderzoek door bureau ITS van de Radboud Universiteit in Nijmegen (2011) blijkt dat de nieuwe gewichtenregeling van Van der Hoeven er nauwelijks toe leidt dat meer achterstandsgeld naar plattelandsscholen gaat. Slechts 1 procent van deze scholen krijgt substantieel meer geld voor hun achterstandsleerlingen. Dat komt onder meer doordat het gemiddelde opleidingsniveau van ouders op het platteland is gestegen.

Hetzelfde onderzoek wijst ook uit dat bijna 10 procent van de basisscholen sinds de beleidsaanpassing beduidend minder geld krijgt. Dit zijn vooral hindoeïstische en islamitische scholen in de grote steden. De leerlingen van deze scholen zijn vrijwel allemaal van allochtone afkomst. Tot 2006 kregen zij daarom het maximale bedrag uit de pot voor onderwijsachterstanden. Omdat een deel van de ouders van deze leerlingen niet laagopgeleid is, krijgen deze scholen sinds invoering van de nieuwe regeling minder geld.

Vooruitgang boeken
De Onderwijsraad adviseert nu om het criterium ‘etniciteit’ weer in de gewichtenregeling op te nemen. ‘Beide indicatoren blijken nog altijd het meest bepalend voor leerachterstanden’, zo meldt de raad in het advies Vooruitgang boeken met achterstandsmiddelen. Daarin staat ook dat in de indicator ‘opleidingsniveau van ouders’ de bovengrens voor extra financiering moet worden opgetrokken tot het niveau van de startkwalificatie.

Voorts adviseert de raad de drempel in de gewichtenregeling zodanig te verlagen, dat scholen met veel autochtone doelgroepleerlingen meer van de beschikbare achterstandsmiddelen kunnen profiteren. Op die manier zou kunnen worden voorkomen dat plattelandsscholen met weinig of geen allochtone leerlingen erop achteruitgaan.

De Onderwijsraad beveelt het kabinet tevens aan om scholen zelf te laten bepalen hoe ze hun achterstandsgeld besteden, maar ze moeten dat wel kunnen verantwoorden: ‘Voor de kwaliteitsverbetering van het onderwijsachterstandenbeleid is het essentieel dat scholen zichtbaar maken wat ze met de toegekende middelen hebben gedaan (en waarom) en daarover in gesprek gaan met interne en externe belanghebbenden’.

Ten slotte adviseert de Onderwijsraad om meer onderzoek te doen naar de effectiviteit van verschillende maatregelen om goed onderwijs te bieden aan doelgroepleerlingen.

Controle toekenning gewichtengeld

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW kondigt een speciale controle aan van de toekenning van gewichten aan leerlingen en de verwerking van deze gegevens in het Basisregister Onderwijs (BRON).

Schoolbesturen die scholen met veel gewichtenleerlingen hebben, worden hiervoor actief benaderd. Besturen waarmee geen contact wordt gezocht, kunnen zich ook opgeven voor de controle wanneer zij één of meer scholen besturen die gewichtengeld ontvangt. Dekker wil er met de controle voor zorgen dat fouten bij het toekennen van gewichten worden hersteld en dat in het vervolg minder fouten worden gemaakt. Voorheen gebeurde controle van de gewichtenadministratie steekproefsgewijs door de Inspectie van het Onderwijs.

Uit de steekproeven bleek dat de foutmarge bij het toekennen van gewichten aan leerlingen met 27% groot is. Als de inspectie constateerde dat een schoolbestuur iets niet goed had gedaan, vorderde het Rijk dat geld onmiddellijk terug. Bij de speciale controle krijgen besturen eerst de kans om hun fouten te herstellen.

Als u vragen hebt over de aangekondigde controle kunt u dit document inzien of contact opnemen met de Helpdesk van VOS/ABB: 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl.

 

Administratie gewichtenregeling buiten school om

Basisscholen worden verlost van de administratieve rompslomp die de gewichtenregeling met zich meebrengt. Staatssecretaris Sander Dekker van OCW kondigt aan dat er een verdeelmodel komt dat gebruikmaakt van databestanden die al buiten de school aanwezig zijn.

Aanleiding voor het nog te ontwikkelen verdeelmodel is dat scholen de regeling voor de toekenning van achterstandsmiddelen erg ingewikkeld vinden. Ze maken daardoor veel administratieve fouten, waardoor het gewichtengeld niet juist over de scholen wordt verdeeld en het dus niet altijd terechtkomt bij de leerlingen die het nodig hebben.

Omdat het alternatieve verdeelmodel er nog niet is – na de zomervakantie volgt meer informatie – zet de staatssecretaris eerst in op een verbetering van de gewichtenadministratie op de scholen. Ze kunnen bijvoorbeeld hulp krijgen bij het juist beoordelen van het opleidingsniveau van de ouders. Ook geeft Dekker de Inspectie van het Onderwijs opdracht om intensiever toe te zien op naleving van de regels en komt er een strenger sanctiebeleid, dat op 1 augustus 2013 in werking treedt.

Op de website van de rijksoverheid staat meer informatie.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl