Onderwijsachterstanden: Slob draait om hete brij heen

Onderwijsminister Arie Slob geeft geen antwoord op de vraag of er genoeg geld is voor alle scholen voor primair onderwijs om onderwijsachterstanden weg te werken.

GroenLinks in de Tweede Kamer had de minister gevraagd of hij kan verzekeren dat alle scholen genoeg geld krijgen om onderwijsachterstanden weg te werken.

In antwoord op die vraag noemt Slob wel de herverdeling van het onderwijsachterstandenbudget, die er volgens hem toe leidt dat het beschikbare budget beter over het land wordt verdeeld. Ook staat in zijn reactie dat het kabinet 170 miljoen euro investeert in het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid.

Slob draait hiermee om de hete brij heen, want hij laat uiteindelijk de vraag onbeantwoord of er genoeg geld is voor alle scholen om onderwijsachterstanden weg te werken.

Lees meer…

Onderzoek naar herverdeeleffecten achterstandsgeld

Onderwijsminister Arie Slob heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) opdracht gegeven te onderzoeken hoe groot de herverdeeleffecten zijn van het nieuwe onderwijsachterstandenbeleid. Dat meldt hij aan de Tweede Kamer.

Deze zomer bleek uit onderzoek dat er grote (negatieve) herverdeeleffecten kunnen optreden als er te weinig gegevens bekend zijn over de leerlingen of over hun ouders, bijvoorbeeld doordat zij niet in de Basisregistratie Personen voorkomen. Met name scholen met veel vluchtelingenkinderen hebben hiermee te maken.

Slob onderkent dit probleem en benadrukt dat hij ‘iedere school met grote achterstandsproblematiek’ in staat wil stellen ‘de onderwijskansen van de leerlingen te vergroten’. Dat is voor hem reden om het CBS opdracht te geven ‘dit knelpunt nader te onderzoeken, om te bezien hoe dit technisch opgelost kan worden’.

Hij belooft de Tweede Kamer te zorgen voor een ‘passende oplossing’ voordat de nieuwe verdeling wordt ingevoerd.

Lees meer…

Achterstandsgeld anders verdeeld: Groningen in de plus

De nieuwe manier waarop het geld voor het tegengaan van onderwijsachterstanden wordt verdeeld, zorgt ervoor dat gemeenten in Groningen er geld bij krijgen, meldt het Dagblad van het Noorden (DvhN).

Het kabinet heeft voor een andere verdeelsleutel gekozen ‘waarmee de onderwijskansen worden vergroot van kinderen die dit het hardst nodig hebben’, zo meldde het ministerie van OCW in april. In het nieuwe systeem gaat minder meetellen waar een kind woont: er wordt meer gekeken naar het risico op een achterstand dan of het kind in een kleine of grote gemeente woont.

Onderwijsminister Slob zei er in april dit over: ‘Ik wil dat ieder kind in Nederland, ongeacht in welke omgeving het opgroeit, de kans krijgt om zijn gaven en talenten tot bloei te laten komen. Alles overwegende lukt dat het beste als we het geld hiervoor op deze manier verdelen.’

Nieuwe indicator CBS

De nieuwe verdeelsleutel op basis van een nieuwe indicator van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) komt erop dat er meer onderwijsachterstandsgeld naar kleine(re) gemeenten en plattelandsgebieden gaat. Dat is te merken in de provincie Groningen, zo meldt het DvhN.

‘De stad Groningen is met ruim 1,4 miljoen euro extra de koploper’, zo staat in de noordelijke krant. Ook andere Groningse gemeenten krijgen volgens de krant meer onderwijsachterstandsgeld: ‘Oldambt krijgt er ruim een miljoen euro bij, Veendam bijna acht ton en Stadskanaal bijna zeven ton. Midden-Groningen krijgt ruim 1,3 miljoen extra.’

Oost-Groningen

Bestuursvoorzitter Jaap Hansen van de Stichting Openbaar Onderwijs Oost-Groningen (SOOOG) zegt in de krant te hopen dat de gemeentebesturen het extra geld ook daadwerkelijk gaan inzetten voor het kind. ‘En niet voor een verfbeurt, nieuwe kozijnen of tapijt. Dit geld moet echt naar de kinderen gaan.’

Hij pleit ervoor het in te zetten voor extra peuteropvang. ‘Alle peuters in de leeftijd van twee, drie jaar moeten eigenlijk vier ochtenden in de week naar de opvang. Er is weliswaar overal peuteropvang, maar de frequentie kan omhoog. We laten nu aan de onderkant nog te veel liggen, waardoor we dat aan de bovenkant op hogere leeftijd moeten repareren. Voor peuters is het belangrijk dat ze op jonge leeftijd met uitdagingen te maken krijgen en lerend spelen. Maar gemeenten moeten dan wel kwaliteitseisen stellen en resultaatgericht gaan werken’, aldus Hansen in het DvhN.

Geld onderwijsachterstanden anders verdeeld

‘Het geld dat gemeenten en scholen krijgen om risico’s op onderwijsachterstanden bij kinderen tegen te gaan, wordt beter verdeeld over het land’, meldt de website van de rijksoverheid. De ministerraad heeft op voorstel van onderwijsminister Arie Slob ingesteld met de andere verdeling.

De komende jaren gaat het budget, zoals afgesproken in het regeerakkoord, met 170 miljoen euro omhoog voor gemeenten. Scholen krijgen structureel 260 miljoen euro. ‘Daarmee komt de totale investering van het kabinet in het bieden van onderwijskansen aan kinderen uit op 746 miljoen euro’, zo staat op rijksoverheidswebsite.

Het kabinet zegt voor een verdeelsleutel te kiezen ‘waarmee de onderwijskansen worden vergroot van kinderen die dit het hardst nodig hebben’. In het nieuwe systeem gaat minder meetellen waar een kind woont: er wordt meer gekeken naar het risico op een achterstand dan of het kind in een kleine of grote gemeente woont.

Minister Slob zegt daar dit over: ‘Ik wil dat ieder kind in Nederland, ongeacht in welke omgeving het opgroeit, de kans krijgt om zijn gaven en talenten tot bloei te laten komen. Alles overwegende lukt dat het beste als we het geld hiervoor op deze manier verdelen.’

Lees meer…

Hoeveel onderwijsachterstandsgeld krijgt uw gemeente?

Het ministerie van OCW heeft de indicatieve bedragen van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid in 2018 gepubliceerd.

Voor de indicatieve bedragen is rekening is gehouden met de gemeentelijke herindelingen per 1 januari 2018. De bedragen zijn onder voorbehoud van de officiële beschikkingen van DUO.

Indicatie bedragen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2018

Onderwijsachterstandenbeleid moet effectiever

Er zijn maatregelen nodig voor een effectiever onderwijsachterstandenbeleid. Dat kan onder meer door de doelstellingen duidelijker te maken, meer te monitoren en de kennis en bewustwording onder betrokken professionals te vergroten.

Dit staat in het interdepartementaal beleidsonderzoek Onderwijsachterstandenbeleid, een duwtje in de rug? dat staatssecretaris Sander Dekker van OCW heeft aangeboden aan de Tweede Kamer. Hij geeft er geen inhoudelijke reactie op; daarvoor verwijst hij naar het volgende kabinet. Het beleidsonderzoek is gedaan door een werkgroep onder leiding van voormalig PvdA-politica Marjanne Sint.

Onderwijsachterstanden en klassenverkleining

In het rapport wordt geconstateerd dat de verdelingssystematiek van de gelden voor onderwijsachterstandenbeleid (OAB) niet aansluit bij de praktijk. Bovendien lijken de scholen, volgens de onderzoekers, de middelen te besteden aan maatregelen die relatief duur zijn en een middelmatige tot lage impact hebben, zoals klassenverkleining en onderwijsassistenten. ‘Ook zijn de interventies vaak gericht op het kind en te weinig op de omgeving en de ouders van het kind’, aldus de onderzoekers.

Zij signaleren verder dat de overgangen, van voorschool naar primair onderwijs, van primair naar voortgezet onderwijs en van voortgezet onderwijs naar vervolgopleiding, kwetsbaar zijn en verbeterd kunnen worden. Ook zou de kwaliteit van professionals versterkt moeten worden. ‘Vooral op scholen met veel doelgroepkinderen kan de kwaliteit van leerkrachten omhoog. Daar zijn veel jonge leerkrachten en een hoger ziekteverzuim, en in het vo wordt op deze scholen meer onbevoegd lesgegeven’, zo staat in het rapport.

Aanbevelingen onderwijsachterstandenbeleid

De onderzoekers bevelen onder meer aan de doelstellingen voor OAB helder te communiceren en de effectiviteit beter te monitoren, zodat daarop gestuurd kan worden. Ze willen een doelmatiger besteding van de middelen bereiken door de bestaande kennis over effectiviteit van de interventies uit te breiden. De bewustwording van onderwijsachterstanden moet worden vergroot.

Lees hier het complete onderzoeksverslag

‘Geen bezuiniging op onderwijsachterstandenbeleid’

Demissionair staatssecretaris Sander Dekker van OCW spreekt tegen als zou hij 65 miljoen euro bezuinigen op het onderwijsachterstandenbeleid.

GroenLinks-Kamerlid Rik Grashoff wilde naar aanleiding van een brandbrief van de gemeenten weten of Dekker voornemens is ‘de bezuiniging van 65 miljoen euro op het onderwijsachterstandenbeleid terug te draaien’.

De staatssecretaris zegt dat er geen sprake is van een bezuiniging, maar van een ‘ramingsbijstelling ten gevolge van de algemene leerlingendaling in het primair onderwijs en vanwege het feit dat het opleidingsniveau van ouders stijgt’.

Hij wijst er ook op dat bij de vaststelling van de onderwijsbegroting voor 2016 de Tweede Kamer heeft ingestemd met de ramingsbijstelling.

Lees meer…

Veel meer geld nodig voor gelijke kansen

In een brandbrief van onder andere de PO-Raad staat dat er veel meer geld moet naar het onderwijsachterstandenbeleid en voor- en vroegschoolse educatie (vve). De brief, die is gericht aan de Tweede Kamer, staat in het teken van gelijke kansen voor alle kinderen.

In de brandbrief slaan de afzenders alarm over een door het kabinet aangekondigde bezuiniging van 65 miljoen euro in 2018 op het budget voor schoolbesturen en gemeenten voor onderwijsachterstandenbeleid. Ook trekken ze aan de bel over een voorgestelde herverdeling van het beschikbare geld. Door die herverdeling zouden met name grote gemeenten minder geld krijgen, terwijl kleinere gemeenten meer zouden krijgen.

De brandbrief gaat tevens in op een recent rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Daaruit blijkt volgens de afzenders dat er een verdubbeling van het budget nodig is, omdat het aantal kinderen met een groot risico op achterstand meer dan twee keer zo groot zou zijn als waar het kabinet van uitgaat.

‘Wij willen alles op alles zetten om voor alle kinderen een goede start mogelijk te maken. Maar het kabinet dreigt af te breken wat in de voorscholen en het primair onderwijs is opgebouwd’, aldus de afzender van de brandbrief.

Download de brandbrief die mede is ondertekend door de VO-raad, belangenorganisatie Ouder & Onderwijs, de schoolleidersvakbond AVS, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en andere gemeentelijke organisaties en organisaties in de kinderopvang.

Kabinet trekt 200 miljoen extra uit voor onderwijs

De coalitiepartners VVD en PvdA hebben overeenstemming bereikt over de besteding van een financiële meevaller. In totaal komt 1,2 miljard euro extra beschikbaar, waarvan 200 miljoen naar het onderwijs gaat.

De coalitiepartners verdelen het extra geld fifty-fifty. De PvdA kiest ervoor om van de 600 miljoen euro die te verdelen is, 200 miljoen te besteden aan het onderwijs.

Het extra geld is onder meer bestemd voor onderwijs aan vluchtelingenkinderen en het wegwerken van achterstanden.

De financiële meevaller worden ook aan andere zaken besteed. Zo wordt een omstreden bezuiniging op de huurtoeslag teruggedraaid en gaat er meer geld naar de politie en naar defensie.

Minder achterstandsleerlingen, maar niet overal

In het primair onderwijs is het aantal achterstandsleerlingen verder afgenomen. Dat staat in het rapport Kinderen in tel 2014 van het Verwey-Jonker Instituut.

Waren er in 2000 nog ruim 447 duizend achterstandsleerlingen, in 2012 waren dit er bijna 174 duizend. Dat is ruim 11 procent van het aantal 4- t/m 12-jarige leerlingen. Het gaat hierbij om kinderen met een leerlinggewicht hoger dan 0.

De gestage daling doet zich in het hele land voor, behalve in de provincie Groningen. Daar was in 2011 een lichte stijging te zien van het aantal achterstandsleerlingen, maar in 2012 nam dat aantal weer af. De provincies Friesland, Drenthe en Utrecht hebben het minste aantal achterstandsleerlingen. Zuid-Holland blijft aan kop.

In 2012 hadden 107 gemeenten een percentage achterstandsleerlingen dat hoger lag dan het landelijke gemiddelde. Rotterdam blijft bovenaan staan, gevolgd door de buurgemeenten Schiedam en Vlaardingen. Opvallend is dat er in de gemeente Vlaardingen een forse stijging was van het aandeel achterstandsleerlingen was van ruim 22 procent in 2010 tot bijna 25 procent in 2011.

Andere gemeenten met veel achterstandsleerlingen zijn Amsterdam, Den Haag, Staphorst, Pekela, Reimerswaal, Kerkrade en Roermond.

Prijs voor Onderwijsjournalistiek naar Anja Vink

De Nationale Prijs voor Onderwijsjournalistiek 2013 is dinsdag in perscentrum Nieuwspoort in Den Haag uitgereikt aan Anja Vink. Ze kreeg de prijs voor haar verhaal Asschers Stille Revolutie in Vrij Nederland van 13 juni 2012.

Het artikel gaat over de manier waarop de toenmalige Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher achterstanden op scholen wilde terugdringen door zich nadrukkelijk met de kwaliteit van het onderwijs te bemoeien. De jury oordeelde dat het stuk een actueel en relevant vraagstuk raakt, dat behandelt vanuit een breed perspectief en vanuit verschillende invalshoeken. Vink kreeg in 2008 ook de Nationale Prijs voor Onderwijsjournalistiek voor het artikel Dit onderwijs vergroot de achterstand in magazine M van NRC Handelsblad.

De jury bestond uit ombudsman Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad, bladenmaker Marjan Agerbeek, directeur Dillian Hos van protestants-christelijke basisschool De Windroos in Amersfoort (eerder onder meer politiek redacteur van Trouw) en de Tilburgse hoogleraar sociologie en lid van de Onderwijsraad Sietske Waslander.

De prijs bestaat uit een geldbedrag van 1500 euro en een kunstwerk van emailleur Christine van der Ree.

Onderwijsraad wil etniciteit weer in gewichtenregeling

De Onderwijsraad vindt dat achterstandsgeld voor basisscholen weer moet worden toegekend op basis van het opleidingsniveau van de ouders in combinatie met hun etniciteit. Daarmee adviseert de raad om de gewichtenregeling die toenmalig minister Maria van der Hoeven van OCW in 2006 invoerde, terug te draaien.

Sinds 1985 ontvangen scholen extra geld als zij veel achterstandsleerlingen hebben. Tot 2006 werd dit zogenoemde gewichtengeld toegekend op basis van het opleidingsniveau en de afkomst van de ouders van leerlingen. Omdat relatief weinig achterstandsgeld naar (plattelands)scholen met veel autochtone achterstandsleerlingen ging, schrapte toenmalig minister Van der Hoeven het criterium ‘etniciteit’. Sinds 2006 krijgen scholen het geld alleen op grond van het opleidingsniveau van de ouders.

Uit onderzoek door bureau ITS van de Radboud Universiteit in Nijmegen (2011) blijkt dat de nieuwe gewichtenregeling van Van der Hoeven er nauwelijks toe leidt dat meer achterstandsgeld naar plattelandsscholen gaat. Slechts 1 procent van deze scholen krijgt substantieel meer geld voor hun achterstandsleerlingen. Dat komt onder meer doordat het gemiddelde opleidingsniveau van ouders op het platteland is gestegen.

Hetzelfde onderzoek wijst ook uit dat bijna 10 procent van de basisscholen sinds de beleidsaanpassing beduidend minder geld krijgt. Dit zijn vooral hindoeïstische en islamitische scholen in de grote steden. De leerlingen van deze scholen zijn vrijwel allemaal van allochtone afkomst. Tot 2006 kregen zij daarom het maximale bedrag uit de pot voor onderwijsachterstanden. Omdat een deel van de ouders van deze leerlingen niet laagopgeleid is, krijgen deze scholen sinds invoering van de nieuwe regeling minder geld.

Vooruitgang boeken
De Onderwijsraad adviseert nu om het criterium ‘etniciteit’ weer in de gewichtenregeling op te nemen. ‘Beide indicatoren blijken nog altijd het meest bepalend voor leerachterstanden’, zo meldt de raad in het advies Vooruitgang boeken met achterstandsmiddelen. Daarin staat ook dat in de indicator ‘opleidingsniveau van ouders’ de bovengrens voor extra financiering moet worden opgetrokken tot het niveau van de startkwalificatie.

Voorts adviseert de raad de drempel in de gewichtenregeling zodanig te verlagen, dat scholen met veel autochtone doelgroepleerlingen meer van de beschikbare achterstandsmiddelen kunnen profiteren. Op die manier zou kunnen worden voorkomen dat plattelandsscholen met weinig of geen allochtone leerlingen erop achteruitgaan.

De Onderwijsraad beveelt het kabinet tevens aan om scholen zelf te laten bepalen hoe ze hun achterstandsgeld besteden, maar ze moeten dat wel kunnen verantwoorden: ‘Voor de kwaliteitsverbetering van het onderwijsachterstandenbeleid is het essentieel dat scholen zichtbaar maken wat ze met de toegekende middelen hebben gedaan (en waarom) en daarover in gesprek gaan met interne en externe belanghebbenden’.

Ten slotte adviseert de Onderwijsraad om meer onderzoek te doen naar de effectiviteit van verschillende maatregelen om goed onderwijs te bieden aan doelgroepleerlingen.

Administratie gewichtenregeling buiten school om

Basisscholen worden verlost van de administratieve rompslomp die de gewichtenregeling met zich meebrengt. Staatssecretaris Sander Dekker van OCW kondigt aan dat er een verdeelmodel komt dat gebruikmaakt van databestanden die al buiten de school aanwezig zijn.

Aanleiding voor het nog te ontwikkelen verdeelmodel is dat scholen de regeling voor de toekenning van achterstandsmiddelen erg ingewikkeld vinden. Ze maken daardoor veel administratieve fouten, waardoor het gewichtengeld niet juist over de scholen wordt verdeeld en het dus niet altijd terechtkomt bij de leerlingen die het nodig hebben.

Omdat het alternatieve verdeelmodel er nog niet is – na de zomervakantie volgt meer informatie – zet de staatssecretaris eerst in op een verbetering van de gewichtenadministratie op de scholen. Ze kunnen bijvoorbeeld hulp krijgen bij het juist beoordelen van het opleidingsniveau van de ouders. Ook geeft Dekker de Inspectie van het Onderwijs opdracht om intensiever toe te zien op naleving van de regels en komt er een strenger sanctiebeleid, dat op 1 augustus 2013 in werking treedt.

Op de website van de rijksoverheid staat meer informatie.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Achterstandsleerling wacht op plek in voorschool

Steeds minder kinderen met een achterstand kunnen als voorbereiding op de basisschool terecht op een voorschool. Dat meldt de NOS.

De MOgroep noemt het onacceptabel dat kinderen met een achterstand op wachtlijsten staan. De brancheorganisatie van onder andere de peuterspeelzalen wil dat er één peutervoorziening komt, die toegankelijk is voor alle kinderen.

Voorzitter Rinda den Besten van de PO-raad wil dat ook: 'Er beginnen nu toch weer meer kinderen met een achterstand aan de basisschool. Die achterstand halen ze moeilijk in. De voorschool moet toegankelijk zijn voor alle kinderen.'

De wachtlijsten bij peuterspeelzalen nemen toe doordat de kinderopvang steeds duurder wordt. Peuterspeelzalen zijn goedkoper, doordat ze vaak nog gesubsidieerd zijn.

Bijstelling Leerplusarrangement mét correctie

Er is nader onderzoek gedaan door het IVA, dat adviseerde om een indicator te ontwerpen gebaseerd op individuele leerlingkenmerken. Eind 2008 wordt duidelijk of het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kan beschikken over de benodigde bestanden voor bepaalde peiljaren. Zo gauw deze bestanden beschikbaar en van voldoende kwaliteit zijn, wordt dit nader onderzocht en uitgewerkt.

Differentiatie naar schoolsoorten
Tot die tijd blijft het Leerplusarrangement VO gehandhaafd, zij het dat de indicator wordt verbeterd. In plaats van het criterium van 30% dat voor alle scholen geldt wordt deze drempel nu gedifferentieerd.

–          30% voor vmbo en praktijkonderwijs,
–          50% voor havo,
–          60% voor vwo.

Daarbij geldt voor scholen die ‘dakpanconstructies’ in de onderbouw hanteren (gecombineerde brugjaren vmbo/havo/vwo) een aparte drempel van 30%. Als een school alleen gecombineerde brugjaren havo/vwo heeft, dan wordt voor deze groep leerlingen de drempel van 50% gehanteerd.

Nu per vestiging
In eerste instantie besloot de staatssecretaris dat de vaststelling van de toekenning wel per school in zijn geheel bleef gelden. Dat zou per vestiging niet tot een beter resultaat leiden. Daar is zij nu op teruggekomen, omdat er sprake was van een onjuiste berekeningsformule. In haar brief van 14 maart geeft ze aan dat vanaf 1 augustus 2008 de bekostiging leerplusarrangement wordt bepaald op vestigingsniveau.

Onder vestiging wordt verstaan een onderdeel van de school of instelling waarop leerlingen worden geteld en bekend staand als ‘subbrinnummer’. Na berekening van de bekostiging op vestigingsniveau wordt de aanvullende bekostiging verstrekt aan het bestuur waar de vestiging onder valt.

Deze benadering heeft met name ook effect voor de agrarische opleidingscentra. Nu komen negen vestigingen wel boven de drempel van 30% waar voorheen de school als zodanig niet in aanmerking kwam.

Zoals al was besloten, zal er een overgangsmaatregel komen voor scholen die er financieel in de nieuwe situatie buitenproportioneel op achteruitgaan.

Informatie: Bé Keizer, 0348-405251, bkeizer@vosabb.nl.