Kamer wil andere conclusies: nieuw onderzoek lumpsum

Onderwijsminister Arie Slob laat nieuw onderzoek uitvoeren naar de lumpsum. Afgelopen zomer kwam de Onderwijsraad al met de heldere conclusie dat de lumpsum de beste financieringsvorm van het primair en voortgezet onderwijs is, maar een deel van de Tweede Kamer denkt er niet zo over en wil graag andere conclusies horen. 

De lumpsumfinanciering doet volgens de Onderwijsraad recht aan de autonomie van de scholen en een stabiele bekostiging. Wel zou de lumpsumbekostiging moeten worden geactualiseerd en vereenvoudigd.

Bovendien benadrukt de Onderwijsraad dat de lumpsum toereikend moet zijn: ‘Als de overheid meent dat onderwijsinstellingen naast de wettelijke deugdelijkheidseisen ook aan (ruimere) maatschappelijke opdrachten moeten voldoen en naar hogere kwaliteit moeten streven, dient zij ook te zorgen voor voldoende bekostiging (…)’, zo staat in het advies Inzicht in verantwoording van onderwijsgelden.

Minister Slob en zijn collega Ingrid van Engelshoven lieten naar aanleiding van het advies van de Onderwijsraad aan de Tweede Kamer weten vast te houden aan de lumpsumfinanciering, omdat die schoolbesturen beleidsvrijheid geeft. ‘Een bestuur kan bijvoorbeeld tijdelijk extra geld uitgeven om een school van onvoldoende kwaliteit er bovenop te helpen, of om innovatie te stimuleren op een school (…). Zulke keuzes moet Den Haag niet maken. Daarom zien wij (…) de meerwaarde en het belang van de lumpsum en blijven we daarmee werken’, aldus Slob en Van Engelshoven.

Kroonluchters?

De Tweede Kamer is niet onverdeeld blij met het positieve advies van de Onderwijsraad en het besluit van de ministers om vast te houden aan de lumpsum. Een deel van de Kamerleden verspreidt het onterechte beeld als zouden schoolbesturen de lumpsumbekostiging besteden aan, zoals PVV’er Harm Beertema het uitdrukt, ‘de inrichting van bestuurskantoren met kroonluchters’.

SP’er Peter Kwint is de lumpsum een doorn in het oog, omdat volgens hem leraren niet weten waar ‘ons geld’ blijft. VVD’er Rudmer Heerema vraagt zich af hoe het kan dat verschillende schoolbesturen verschillende resultaten boeken, terwijl ze allemaal op dezelfde wijze worden bekostigd. D66’er Paul van Meenen wil dat de lumpsumfinanciering verdwijnt en dat het onderwijs teruggaat naar de situatie waarin de financiering centraal door de overheid werd geregeld.

Het is de bedoeling dat het nieuwe onderzoek naar de lumpsumbekostiging zal worden uitgevoerd door de Algemene Rekenkamer.

Een woordvoerder van het ministerie van OCW laat naar aanleiding van dit nieuwsbericht weten dat het onderzoek ‘in lijn is met de reactie van de bewindsman op het advies van de Onderwijsraad’.

Het belangrijkste doel van het nieuwe onderzoek is, zo stelt de woordvoerder, om vast te stellen ‘of de bekostiging van het primair- en voortgezet onderwijs toereikend en doelmatig is’. Dit sluit volgens hem aan op aanbevelingen van de Onderwijsraad.

De woordvoerder voegt daaraan toe dat het nog niet bekend is welke instantie het onderzoek gaat uitvoeren.

OCW kiest nadrukkelijk voor behoud lumpsum

De onderwijsministers Ingrid van Engelshoven en Arie Slob houden vast aan de lumpsumfinanciering van het onderwijs. Daar hoort volgens hen wel bij dat schoolbesturen verantwoording afleggen over hun financiële keuzes. Dat schrijven zij in een brief aan de Tweede Kamer.

‘Besturen hebben (…) de verplichting om zich goed te verantwoorden over de besteding van publiek geld voor onderwijs. Als dat niet gebeurt, verliest de maatschappij haar vertrouwen en dat ondermijnt de grote kracht van ons onderwijsstelsel: de financiële en inhoudelijke autonomie’, zo staat in de brief.

Daarin benadrukken zij echter ook het belang van de lumpsumfinanciering, omdat die schoolbesturen beleidsvrijheid geeft. ‘Een bestuur kan bijvoorbeeld tijdelijk extra geld uitgeven om een school van onvoldoende kwaliteit er bovenop te helpen, of om innovatie te stimuleren op een school (…). Zulke keuzes moet Den Haag niet maken. Daarom zien wij (…) de meerwaarde en het belang van de lumpsum en blijven we daarmee werken’, aldus Van Engelshoven en Slob.

De minister volgen met hun keuze voor behoud van de lumpsumfinanciering in combinatie met goede verantwoording door schoolbesturen een advies van de Onderwijsraad.

Lees meer…

Onderwijsraad adviseert vast te houden aan lumpsum

De Onderwijsraad adviseert het kabinet om de lumpsumbekostiging van het onderwijs te handhaven en terughoudend te zijn met doelfinanciering. Ook adviseert de raad om de verantwoording over en het toezicht op de besteding van het onderwijsgeld te verbeteren.

De lumpsumfinanciering doet volgens de Onderwijsraad recht aan de autonomie van de scholen en een stabiele bekostiging. Wel zou de lumpsumbekostiging moeten worden geactualiseerd en vereenvoudigd.

Toereikende bekostiging

Ook dient de lumpsum toereikend te zijn, benadrukt de Onderwijsraad: ‘Als de overheid meent dat onderwijsinstellingen naast de wettelijke deugdelijkheidseisen ook aan (ruimere) maatschappelijke opdrachten moeten voldoen en naar hogere kwaliteit moeten streven, dient zij ook te zorgen voor voldoende bekostiging (…).’

De Onderwijsraad adviseert het kabinet ook om de verticale en horizontale verantwoording over en het toezicht op de besteding van onderwijsgeld te verbeteren. ‘Juist waar de overheid met lumpsumbekostiging instellingen bestedingsvrijheid laat, is verantwoording van bestedingen een noodzakelijke voorwaarde’, aldus de raad.

Download het advies Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden

Lumpsum op de schop? Niet doen!

De lumpsumfinanciering is onderwerp van soms felle discussie. Het lijkt weleens alsof deze bekostigingssystematiek de oorzaak is van alle problemen die in het onderwijs worden ervaren. Maar schoolbestuurders en controllers zijn er juist positief over.

In het nieuwe nummer van het VOS/ABB-magazine Naar School! dat op 17 april verschijnt, vertellen bestuurders en controllers waarom het onterecht is dat vakbonden en diverse politieke partijen een negatief beeld schetsen over de lumpsumfinanciering.

U kunt het artikel Lumpsum op de schop? niet doen! als preview downloaden.

Geen maximum in lumpsum voor uitzendkrachten

Schoolbesturen worden niet gebonden aan een maximum dat ze mogen uitgeven aan uitzendkrachten. Een motie van de SP en de PvdA in de Tweede Kamer voor zo’n maximum is verworpen.

De SP’er Peter Kwint en zijn PvdA-collega Lisa Westerveld hadden de motie ingediend. Daarin stelden zij dat ‘uitzend- en detacheringsbureaus leraren die al in loondienst zijn wegkapen op scholen, door bijvoorbeeld hogere salarissen te bieden, waarmee het lerarentekort op scholen wordt vergroot en deze scholen uiteindelijk weer via die bureaus het tekort moeten opvullen.’ Op die manier zou onderwijsgeld weglekken ‘naar dit soort bureaus’, aldus Kwint en Westerveld.

Het lukte hun echter niet om een meerderheid in de Tweede Kamer achter hun motie te krijgen, zo bleek dinsdag.

Slechte ontwikkeling

Onderwijsminister Arie Slob noemde het in januari een slechte ontwikkeling dat uitzendbureaus het lerarentekort aangrijpen om hun tarieven te verhogen. Hij zei dat toen in reactie op Kamervragen van SP’er Kwint.

De minister liet toen echter ook weten dat er in de onderwijs-cao’s ruimte is  om ‘in gevallen van vervanging wegens ziekte of buitengewoon verlof, activiteiten van tijdelijke aard en bij onvoorziene omstandigheden’ leraren op uitzendbasis in te huren.

Lumpsumfinanciering niet toereikend, systeem is goed

De lumpsumfinanciering is niet toereikend, het is niet verstandig om er schotten in aan te brengen en het toezicht op bestedingen moet uitgaan van vertrouwen. Dat heeft directeur Hans Teegelbeckers van VOS/ABB donderdag gezegd op een bijeenkomst van de Onderwijsraad.

Er werd op de bijeenkomst in de zaal van de Eerste Kamer gesproken over vier thema’s die de bekostiging van het onderwijs raken. Het eerste thema was de toereikendheid van de lumpsumbekostiging, of beter gezegd: de ontoereikendheid.

Teegelbeckers benadrukte dat in de afgelopen 10 jaar veel veranderd en dat dat vraagt ook om investeringen. Hij noemde als voorbeeld de toegenomen druk op het toezicht, maar ook de achterblijvende financiering van de exploitatiekosten. Daarnaast is het voor schoolbesturen noodzakelijk om bepaalde reserves aan te houden om te voldoen aan de normen voor bijvoorbeeld het weerstandsvermogen.

Hij bracht in dit kader in herinnering dat Sharon Dijksma in 2009 het budget voor bestuur en management van 90 miljoen euro per jaar weghaalde. Deze greep uit de lumpsum van het primair onderwijs door de toenmalige PvdA-staatssecretaris van OCW ging onder meer ten koste van het primaire proces.

Schotten in lumpsum?

Op de vraag of het systeem van de lumpsumfinanciering voldoet of dat er schotten moeten worden ingebouwd tussen bijvoorbeeld de personele bekostiging en de exploitatiebekostiging, antwoordde Teegelbeckers dat dat laatste niet verstandig zou zijn. Het behoud van het huidige systeem is volgens hem van belang voor de benodigde beleidsruimte en -vrijheid van onderwijsorganisaties.

Er is ook gesproken over verantwoording en toezicht. Teegelbeckers pleitte ervoor om uit te gaan van verantwoordelijkheid en vertrouwen en dit dus zoveel mogelijk bij de schoolbesturen en de raden van toezicht te laten.

Alle jaarverslagen openbaar

Hij zei ook dat transparantie bij het karakter van het onderwijs hoort. Daarom zouden wat hem betreft de jaarverslagen van alle schoolbesturen voor iedereen toegankelijk moeten zijn.

Een ander onderwerp dat aan bod kwam, was doelmatigheid van bestedingen. Hierover werd opgemerkt dat de politiek hier niet over gaat. Wel kunnen schoolbesturen worden aangesproken op de rechtmatigheid van bestedingen.

Advies

De Onderwijsraad zal de input van Teegelbeckers en andere sprekers gebruiken voor een advies over de lumpsumfinanciering.

Scholen beslissen over inzet extra geld conciërges

Het is niet bekend hoeveel conciërges en onderwijsassistenten er zijn aangesteld met de 50 miljoen euro extra uit de bestuursakkoorden die daar in principe voor bestemd is. Dit komt doordat dit structurele bedrag is toegevoegd aan het lumpsumbudget. ‘Het schoolbestuur maakt zelf keuzes in de besteding van de extra middelen’, aldus staatssecretaris Sander Dekker van OCW in antwoord op Kamervragen.

SP-Tweede Kamerlid Peter Kwint stelde vragen aan Dekker naar aanleiding van een artikel in de Leeuwarder Courant over de 55-jarige Appie Nutterts. Deze man wil graag weer als conciërge aan de slag op openbare basisschool De Feart in het Friese dorp Jubbega. Hij wil dat doen als onbetaalde vrijwilliger, maar dat mag niet van uitkeringsinstantie UWV.

Een betaalde baan als conciërge zit er ook niet in, zo vertelt directeur Jouke Jansma van De Feart in de krant. ‘Het geld dat we hebben, steken we in het onderwijs. Wij zijn een achterstandsschool, wij houden de klassen zo klein mogelijk. Daardoor blijft er geen geld over voor ondersteunend personeel’, zo citeert de krant hem.

Aantal conciërges niet bekend

Staatssecretaris Dekker benadrukt in zijn antwoorden dat de scholen inderdaad zelf mogen bepalen waaraan zij het extra geld uit de bestuursakkoorden besteden. Die keuzevrijheid geldt dus ook voor de situatie in Jubbega.

Er zijn in de bestuursakkoorden ‘geen afspraken gemaakt over het aantal conciërges (en klassenassistenten) dat met deze 50 miljoen euro aangesteld kan worden’, aldus Dekker, die hier nogmaals aan toevoegt dat het bedrag is opgenomen in de lumpsum.

Dekker hekelt ‘eenzijdig onderzoek’ naar lumpsum

‘Beschikbaar geld is niet verdwenen’, benadrukt demissionair staatssecretaris Sander Dekker van OCW in reactie op twee onderzoekers die stellen dat extra geld dat naar de lumpsumfinanciering van het voortgezet onderwijs is gegaan niet te traceren is.

Oud-docent bedrijfskunde Hans Duijvestijn en wiskundeleraar Frans van Haandel vinden dat er een onderzoek moet komen naar de doelmatigheid van de investeringen in de lumpsum van het voortgezet onderwijs. Op basis van eigen onderzoek concluderen zij dat niets van het extra geld dat in de periode 2002-2015 naar de lumpsum van het voortgezet onderwijs is gegaan om de werkdruk te verlagen, heeft geleid tot meer docenten.

Zij stellen dat in verhouding tot het aantal leerlingen het aantal docenten met 6 procent is gedaald. Ook is volgens hen niets van het extra geld naar kleinere klassen gegaan. Duijvestijn en Van Haandel claimen dat de gemiddelde groepsgrootte met 8,3 procent is gestegen. Het extra geld is evenmin besteed, zo schrijven zij, aan hogere salarissen. Het reële salaris van docenten is volgens hen met ruim 2 procent gedaald.

‘Ons advies aan politici die in de kabinetsformatie moeten beslissen over investeringen om de werkdruk in het onderwijs te verlichten: onderzoek eens grondig hoe het komt dat in de afgelopen 15 jaar niets van de extra overheidsuitgaven via de lumpsum is terechtgekomen bij klassenverkleining, teamuitbreiding en docentensalaris, met als gevolg dat het hele veld klaagt over te hoge werkdruk en een tekort aan gekwalificeerde docenten’, aldus Duijvestijn en Van Haandel.

Eenzijdig en schadelijk onderzoek

Dekker schrijft in een brief aan de Tweede Kamer dat het onderzoek van Duijvestijn en Van Haandel een eenzijdig beeld schetst. Het doet volgens hem ‘geen recht aan de inzet van beschikbare middelen’ en leidt tot een ‘onterecht en schadelijk beeld’.

De staatssecretaris wijst erop dat schoolbesturen mede door het extra geld in staat zijn gesteld om kwalitatief goed onderwijs aan te bieden, hun cao-afspraken te bekostigen en uitvoering te geven aan overige afspraken en doelen. ‘Beschikbaar geld is niet verdwenen’, zo benadrukt hij.

Lees meer…

.

 

AOb pleit weer voor bekostigingskeurslijf

Voorzitter Liesbeth Verheggen van de Algemene Onderwijsbond (AOb) herhaalt in Trouw dat er weer een schot moeten komen in de lumpsumfinanciering van het basisonderwijs. Zo wil ze ervoor zorgen dat er meer geld naar de leraren gaat. 

‘Schoolbesturen moeten inzichtelijk kunnen maken dat in het basisonderwijs 85 tot 90 procent van het geld gaat naar voldoende personeel, kleine klassen en actueel werkmateriaal. Als dat niet lukt, moet het schot terug tussen geld dat besteed mag worden aan salarissen en overige kosten.’ Haar woorden zijn een herhaling van wat zij eerder in diverse media heeft gezegd.

Bekostigingskeurslijf

Directeur Hans Teegelbeckers van VOS/ABB benadrukt dat de terugkeer van schotten in de financiering, zoals de AOb wil, geen oplossing is. Hij vreest ‘een bekostigingskeurslijf dat de beleidsruimte van de scholen indamt en de mogelijkheden van innovatie zal doen stokken’, zo schreef hij onlangs in een commentaar op deze website.

Waarom terug naar geoormerkte financiering?

Wat schieten we ermee op als we de lumpsum in het onderwijs afschaffen en terugkeren naar een door de rijksoverheid gereguleerde geoormerkte financiering? Niets!

De laatste tijd klinkt uit de hoek van de vakbonden en ook bij organisaties als Beter Onderwijs Nederland en bepaalde politieke partijen steeds vaker de klacht dat de lumpsumfinanciering ertoe heeft geleid dat leraren niet krijgen wat ze nodig hebben om goed te kunnen lesgeven. De oplossing zou zijn om de financiering door de rijksoverheid te laten oormerken. Ik denk echter dat we dan van een kouwe kermis zullen thuiskomen.

De lumpsumfinanciering zoals we die sinds 1996 kennen in het voortgezet onderwijs en sinds 2006 ook in het primair onderwijs zorgt ervoor dat schoolbesturen eigen beleid kunnen voeren dat gericht is op de specifieke situatie waarin de scholen zich bevinden. Elke school en elke klas hebben een eigen populatie en eigen aandachtsgebieden. Het is nooit one size fits all. De beleidsvrijheid van lumpsumfinanciering draagt bij aan zorg voor die specifieke omstandigheden.

Het is bepaald niet zo dat de schoolbestuurders alles in hun eentje bepalen, zoals nogal eens ten onrechte wordt gesuggereerd. De medezeggenschap in het onderwijs is gelukkig goed geregeld. Personeel, ouders en in het voortgezet onderwijs ook leerlingen kunnen binnen hun bevoegdheden elk hun eigen invloed op het beleid uitoefenen. De klacht dat bestuurders daar niet naar luisteren, herken ik in de praktijk niet. En voor het geval er bestuurders zijn die buiten de vastomlijnde kaders beslissingen nemen, zijn er klachtenprocedures bij diverse geschillencommissies.

Pleiten voor oormerkfinanciering is terugkeren naar een bekostigingskeurslijf dat de beleidsruimte van de scholen indamt en de mogelijkheden van innovatie zal doen stokken. Zonder ruimte is er immers geen groei mogelijk. Daar komt bij dat met een terugkeer naar oormerkfinanciering er minder inspraakmogelijkheden zullen zijn voor de medezeggenschapsraden. Daar zit volgens mij niemand op te wachten, ook de schoolbestuurders niet. Goed onderwijs maken we immers samen!

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Hoe doelmatig zijn investeringen in lumpsum?

Er moet een onderzoek komen naar de doelmatigheid van de investeringen in de lumpsum van het voortgezet onderwijs. Dat vinden oud-docent bedrijfskunde Hans Duijvestijn en wiskundeleraar Frans van Haandel.

Op basis van eigen onderzoek concluderen zij dat niets van het extra geld dat in de periode 2002-2015 naar de lumpsum van het voortgezet onderwijs is gegaan om de werkdruk te verlagen, heeft geleid tot de inzet van meer docenten. Zij stellen dat in verhouding tot het aantal leerlingen het aantal docenten met 6 procent is gedaald.

Ook is volgens hen niets van het extra geld naar kleinere klassen gegaan. Duijvestijn en Van Haandel claimen dat de gemiddelde groepsgrootte met 8,3 procent is gestegen. Het extra geld is evenmin besteed, zo schrijven zij, aan hogere salarissen. Het reële salaris van docenten is volgens hen met ruim 2 procent gedaald.

Onderzoek naar lumpsum

‘Ons advies aan politici die in de kabinetsformatie moeten beslissen over investeringen om de werkdruk in het onderwijs te verlichten: onderzoek eens grondig hoe het komt dat in de afgelopen 15 jaar niets van de extra overheidsuitgaven via de lumpsum is terechtgekomen bij klassenverkleining, teamuitbreiding en docentensalaris, met als gevolg dat het hele veld klaagt over te hoge werkdruk en een tekort aan gekwalificeerde docenten’, aldus Duijvestijn en Van Haandel.

Lees meer…

‘Scholen sterker tegenover educatieve uitgeverijen’

Scholen voor voortgezet onderwijs krijgen een sterkere positie ten opzichte van de educatieve uitgeverijen als het label voor schoolboeken uit de lumpsumfinanciering verdwijnt. Dat verwacht staatssecretaris Sander Dekker van OCW.

In de Tweede Kamer waren vragen gerezen over het verdwijnen van het lumpsumlabel voor schoolboeken. Dekker werd onder andere gevraagd welke effectieve middelen scholen dan nog hebben om prijsverhogingen zoveel mogelijk tegen te gaan. De vrees was dat de positie van de leveranciers van educatieve materialen zou worden versterkt, wat ten koste zou gaan van de positie van de scholen.

Richtprijs educatief materiaal

Dekker antwoordt dat het label er wordt afgehaald  ‘omdat het bedrag voor lesmateriaal in de lumpsum te veel als de richtprijs is gaan fungeren, voor marktpartijen én scholen’. Dit is volgens hem een ongewenst effect.

‘Door het bedrag per leerling voor lesmateriaal niet langer expliciet te duiden in de bekostiging, zal voor zowel scholen als marktpartijen geen uniform richtbedrag meer bestaan. Afhankelijk van het inkoopbeleid van de school en visie op leermiddelen kan de school bij de keuze voor een marktpartij de prijsstellingen meer gewicht geven’, aldus de staatssecretaris.

Eigen content

Volgens hem zouden scholen er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om het geld voor de aanschaf van educatieve materialen deels te gebruiken om hardware te kopen of om personeel vrij te maken voor het ontwikkelen van eigen content. Dit zou de onderhandelingspositie van de scholen kunnen versterken, denkt Dekker.

Lumpsumfinanciering niet op de schop

De huidige lumpsumfinanciering past bij het onderwijs zoals we dat in Nederland hebben georganiseerd. Dat stellen minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW in een brief aan de Tweede Kamer.

De brief volgt op een motie van VVD, CDA, D66 en SP waarin de regering wordt gevraagd meerdere alternatieven voor of naast de lumpsum te ontwikkelen. Daarbij zouden de publieke middelen heldere doelstellingen moeten krijgen. Bovendien zou meer inzichtelijk moeten worden gemaakt wat er met het publieke onderwijsgeld is bereikt.

Lumpsumfinanciering creëert flexibiliteit

Op basis van onderzoek naar financieringssystemen van het onderwijs in diverse landen laten Bussemaker en Dekker weten dat zij geen voorstanders zijn van het creëren van schotten of oormerken binnen de lumpsumbekostiging, omdat dat ten koste zou gaan van flexibiliteit. ‘Het perkt de bewegingsvrijheid van een instelling in, geeft daarmee een risico op een te trage reactie op maatschappelijke behoeften en zou bovendien meer plancapaciteit bij de overheid vergen dan in Nederland voorhanden is.’

De minister en de staatssecretaris wijzen er in hun brief aan de Kamer verder op dat het Nederlandse onderwijsstelsel internationaal gezien bovengemiddeld goed presteert met gemiddelde uitgaven. Dat is reden voor hen om vast te houden aan de huidige lumpsumfinanciering.

Bekostiging moet toereikend zijn voor goed onderwijs!

Het rommelt rond de bekostiging van het primair en voortgezet onderwijs. VOS/ABB vindt dat niet slechts het streven naar vereenvoudiging van de systematiek het doel mag zijn, maar dat het vooral moet gaan over een in alle opzichten toereikende bekostiging. Wij willen wat dit betreft graag input van u, voor een weloverwogen advies aan de PO-Raad en VO-raad.

Vooral organisaties die een meer centraliserende rol van de overheid willen, zetten vraagtekens bij de huidige lumpsumfinanciering. De SP bijvoorbeeld kwam afgelopen najaar met een motie die in het teken stond van haar streven om een einde te maken aan de lumpsum, omdat die ‘alleen maar tot frustratie van leraren en ouders’ zou leiden. In de ogen van de SP verdwijnt geld voor onderwijs ‘maar al te vaak in bureaucratie en management’.

De vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) spreekt in het kader van de lumpsum zelfs van ‘een bodemloze put’. Deze beweging onder leiding van filosoof Ad Verbrugge wil dat in de lumpsum een knip wordt gemaakt tussen de bekostiging van docenten enerzijds en materiële kosten anderzijds. Dit zou in feite een terugkeer betekenen naar de bekostigingssystematiek van het primair en voortgezet onderwijs zoals die voor de invoering van de lumpsum bestond.

Bekostiging met méér beleidsruimte

VOS/ABB hoort van schoolbesturen steeds vaker dat de lumpsum juist te weinig beleidsruimte biedt. ‘De huidige bekostiging wordt gezien als een systeem met te veel sturing vanuit de overheid. Het wordt ervaren als een beperking van de eigen beleidsruimte. Aan de ene kant lijkt het veld meer bewegingsvrijheid te willen, aan de andere kant is er een tendens, onder andere bij de politiek, dat er meer inzicht wordt gevraagd in financiële bestedingen en ook meer invloed daarop’, zegt senior beleidsmedewerker Hans Teegelbeckers in magazine Naar School!.

Teegelbeckers vraagt in het VOS/ABB-magazine onder anderen schoolbestuurders en financieel deskundigen om input, die hij wil gebruiken voor een advies aan de PO-Raad en VO-raad. Uw input kan bijvoorbeeld gaan over de vraag hoe belangrijk u goed bestuur en toezicht vindt in relatie tot het budget dat hiervoor binnen de lumpsum beschikbaar zou moeten zijn. Of over de inzet die modern onderwijs vereist. Denk bijvoorbeeld aan digitale leermiddelen, die in de praktijk een kortere afschrijvingstermijn hebben en waarop de lumpsum nu achterblijft.

U kunt uw ideeën mailen aan Hans Teegelbeckers van VOS/ABB: hteegelbeckers@vosabb.nl.

Hij zal de input in samenwerking met collega’s van onder andere de Helpdesk van VOS/ABB verwerken tot een advies aan de sectororganisaties PO-Raad en VO-raad. Dit advies zal worden gepubliceerd op www.vosabb.nl.

Gaan we terug naar geoormerkte financiering?

De Tweede Kamer wil meer grip op de financiering van het onderwijs. Met de centraliserende SP voorop is er een stroming op gang gekomen tegen de huidige lumpsumfinanciering. 

Niet alleen bij de SP en coalitiepartner PvdA, ook bij het CDA, D66 en regeringsfractie VVD leeft de wens om meer grip te krijgen op de uitgaven van de schoolbesturen.

De stroming tegen de lumpsumfinanciering wordt versterkt door de SP. Die partij gebruikt hiervoor de wens van onder andere AOb om helder te krijgen waar het extra geld uit het Nationaal Onderwijsakkoord en het Herfstakkoord precies aan is besteed. De bond spreekt die wens uit zonder de lumpsum te willen afschaffen, zoals AOb-voorzitter Liesbeth Verheggen op Twitter laat weten:

Er zijn vast meer varianten mogelijk dan alleen de keuze tussen lumpsum en oormerken. Vraagt wel open gedachtewisseling.

De kritiek op de schoolbesturen is dat zij met het extra geld uit het Nationaal Onderwijsakkoord en Herfstakkoord budgettaire gaten zouden hebben gedicht en het niet zouden hebben besteed aan bijvoorbeeld verbetering van het rekenonderwijs en banen voor jonge leraren, waar het in principe voor was bedoeld.

Niet iedere euro te controleren
Staatssecretaris Sander Dekker van OCW heeft tijdens de behandeling van de onderwijsbegroting in de Tweede Kamer gezegd dat het inherent is aan het systeem van de lumpsum dat niet van ‘iedere euro en per instelling is te aan te geven wat er met het geld is gebeurd’. Hij zei ook dat als het extra geld uit het Nationaal Onderwijsakkoord en Herfstakkoord in 2014 níet naar het onderwijs zou zijn gegaan, het aantal banen in het onderwijs lager zou zijn geweest dan nu.

Hij benadrukte dat de lumpsumfinanciering past bij de vrijheid van onderwijs en daarmee bij de autonomie van de schoolbesturen. De staatssecretaris wees er bovendien op dat scholen geld niet zomaar geld kunnen uitgeven, maar dat zij zich over hun uitgaven dienen te verantwoorden via jaarverslagen en jaarrekeningen. Ook zien de Inspectie van het Onderwijs en accountants erop toe dat schoolbesturen hun geld goed besteden.

Desondanks is Dekker bereid tot een ‘open discussie’ over de mogelijkheden om meer inzicht te krijgen in de uitgaven. Een open discussie is volgens VOS/ABB altijd een goed idee, maar extra controle op de uitgaven mag niet leiden tot meer regeldruk en aantasting van de schoolbestuurlijke autonomie.

BON snapt het niet: lumpsum betekent bestedingsvrijheid

De bewering van Beter Onderwijs Nederland dat de lumpsumfinanciering duizenden onderwijsbanen kost, laat zien dat deze actiegroep niet snapt dat scholen met niet-geoormerkt geld werken. Dat is de strekking van antwoorden van staatssecretaris Sander Dekker van OCW op vragen van de SP.

‘Het onderzoek van BON gaat er onterecht van uit dat het onderwijs werkt met geoormerkt geld. De gebruikte verhoudingen binnen de bekostiging zijn destijds als rekenmodel opgezet, niet als richtlijn voor de besteding’, zo benadrukt Dekker in antwoorden op de vragen van SP-Kamerlid Jasper van Dijk..

Hij noemt het een voordeel van de lumpsumfinanciering dat scholen, in overleg met (de personeelsgeleding van) de medezeggenschapsraad, hun personeelsbeleid kunnen laten aansluiten bij hun specifieke situatie. Daardoor verschillen bij scholen de aandelen leraren, directiepersoneel en onderwijsondersteuners.

‘Het gaat mij bij de sturing op het onderwijs dan ook niet zozeer om dergelijke verhoudingen op schoolniveau, maar om hun effect op de uiteindelijke onderwijskwaliteit. Ik heb daarover dan ook met de besturen afspraken gemaakt in de sectorakkoorden. Die omvatten heldere doelen voor de verbetering van de onderwijskwaliteit’, schrijft de staatssecretaris.

Schuiven met personeel
Dekker wijst er bovendien dat voor invoering van de lumpsumfinanciering, toen er nog sprake was van het formatiebudgetsysteem, scholen ook de mogelijkheid hadden om te schuiven met personeel. ‘Dit systeem werkte met formatierekeneenheden. Deze werden apart vastgesteld voor onder andere onderwijsondersteunend en onderwijsgevend personeel. Scholen hadden echter ook binnen dit systeem vrijheid om te schuiven tussen onderwijsgevend personeel en onderwijsondersteunend personeel.’

Verder zijn er volgens Dekker ontwikkelingen in het onderwijs die maken dat deze verschuiving heeft plaatsgevonden. ‘Er zijn bijvoorbeeld steeds meer taken van de docent overgenomen door medewerkers met een ander takenpakket. Daarmee is de docent ontlast en komt hij meer toe aan het geven van hoogwaardig onderwijs.’

Wat mag wel/niet met geld uit lumpsum?

Hoe strikt moet artikel 148 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) over de lumpsumfinanciering worden uitgelegd? De Helpdesk van VOS/ABB krijgt die vraag geregeld voorgelegd.

Schoolbesturen in het primair onderwijs worstelen nogal eens met de vraag of zij geld uit de lumpsum anders mogen besteden dan strikt genomen in artikel 148 staat vermeld. Vaak hebben die vragen betrekking op onderwijshuisvesting.

Er was al eens onduidelijkheid over geld uit de lumpsum dat werd gebruikt voor leerlingenvervoer. In 2013 maakte de Raad van State een einde aan die onduidelijkheid: lumpsumgeld is niet bedoeld voor het vervoer van leerlingen.

Nieuwbouw
In januari jongstleden heeft de rechtbank Noord-Holland bepaald dat lumpsumgeld ook niet mag worden gebruikt voor nieuwbouw. Deze uitspraak ging over een geschil over een convenant tussen de gemeente Zaanstad en de onderwijsstichting Zaan Primair.

In dat convenant was een bepaling opgenomen voor een financiële bijdrage van het schoolbestuur aan nieuwbouw. De stichting liet echter aan de gemeente weten op basis van de WPO niet tot naleving van dit onderdeel van het convenant te kunnen voldoen.

De rechtbank bevestigt dat de lumpsumfinanciering moet worden besteed aan personele kosten en kosten van materiële instandhouding. Artikel 91 van de WPO bepaalt dat gemeenten zorg dragen voor de voorziening in de huisvesting.

De enige uitzondering op dit uitgangspunt vormen aanvullende uitgaven op het gebied van huisvesting die worden gefinancierd uit reserves die zijn opgebouwd vóór 1 augustus 2006 of uit privévermogen. Daarvan was in de betreffende kwestie geen sprake.

De bepaling uit het convenant is nietig verklaard, omdat die in strijd was met de wet. De gemeente kan nakoming van de bepaling dus niet vorderen.

De conclusie op grond van het voorgaande is dat de bestedingsmogelijkheden zoals genoemd in artikel 148 van de WPO strikt worden uitgelegd. Het aanwenden van lumpumgeld voor nieuwbouw valt daarbuiten.

Verruiming?
Het is mogelijk dat het investeringverbod voor huisvesting minder strikt wordt. Staatssecretaris Sander Dekker van OCW heeft in december jongstleden laten weten dat hij daar mogelijk toe bereid is als er sprake is van terugverdieneffecten.

Als de PO-Raad en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hierover afspraken maken, dan is Dekker bereid te onderzoeken wat er wettelijk mogelijk is. Er zou dan in elk geval aan de volgende voorwaarden moeten worden voldaan:

  • Schoolbesturen mogen alleen investeren in zaken die boven de eisen van het Bouwbesluit uitgaan;
  • De investeringen van schoolbesturen moeten beperkt blijven tot investeringen ter voorkoming van onnodige financiële risico’s;
  • Duidelijk moet zijn binnen welke termijn schoolbesturen hun investering terugverdienen.

Het is nog niet duidelijk of en zo ja wanneer de mogelijkheden worden verruimd. Tot die tijd is een strikte uitleg van artikel 148 van de WPO het uitgangspunt.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Extra geld voor onderwijs: maak uw eigen plan

Financieel expert Ron van der Raaij van VOS/ABB en adviseur Ronald Bloemers van de VOS/ABB-Helpdesk geven schoolbesturen aanvullend advies over de juiste verantwoording van het extra geld dat naar het onderwijs gaat. 

Ze hebben een praktische toelichting geschreven, waarin ze in het kader van het extra onderwijsgeld ingaan op de boeking en verantwoording van dit geld. Het betreft op de korte termijn 150 miljoen euro extra voor jonge leraren en 650 miljoen euro extra op basis van het aangenomen amendement van D66-Tweede Kamerlid Paul van Meenen.

U kunt de toelichting downloaden.

Let op: binnenkort komt VOS/ABB op het besloten ledengedeelte van deze website in het kader van de verantwoording van het extra geld voor onderwijs met een model-checklist.

Op de website van het ministerie vindt u meer informatie.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Meer gemeentebudget naar lumpsum

Aan de lumpsum van het primair onderwijs wordt 158,8 miljoen euro toegevoegd. Het geld komt uit het Gemeentefonds en is bedoeld voor het buitenonderhoud van schoolgebouwen. Dit staat in een wetsvoorstel dat onlangs is ingediend. De overheveling van het budget staat gepland voor 1 januari 2015.

Er was op gerekend dat er circa 120 miljoen euro zou worden overgeheveld naar het primair onderwijs plus ongeveer 25 miljoen euro voor begeleidingskosten. Het totale bedrag van 158,8 miljoen euro valt hoger uit dan verwacht.

Het komt neer op circa 16 euro per vierkante meter vloeroppervlak. Hierbij moet worden aangetekend dat schoolbesturen alleen de vierkante meters mogen meetellen waarop zij recht hebben op basis van het leerlingenaantal. Leegstand en extra kosten in verband met dislocaties tellen niet mee.

Overgangsregeling
In het wetsvoorstel staat dat er een overgangsregeling komt voor kleine schoolbesturen, die slechts weinig financiële ruimte hebben om tegenvallers op te vangen. Of een bestuur klein is, wordt bepaald aan de hand van de toegekende bekostiging voor materiële instandhouding. In de praktijk zal het neerkomen op besturen met twee tot drie scholen.

In de overgangsregeling zal ook rekening worden gehouden met de leeftijd van de schoolgebouwen. Boven een bepaalde leeftijd komt aanvullende bekostiging beschikbaar. Ook zal een aanvulling worden vastgesteld aan de hand van een vast bedrag per leerling. De randvoorwaarden zijn nog niet bekend.

Het is mogelijk dat er een waarborgfonds komt voor schoolbesturen die door de overheveling van het onderwijsbudget in combinatie met de (slechte) staat van onderhoud van hun gebouwen in problemen raken.

Heldere afspraken
De Helpdesk van VOS/ABB adviseert schoolbesturen in het primair onderwijs om heldere afspraken te maken met hun gemeente(n) om het onderhoud van de gebouwen op orde te krijgen. Als een bestuur na de overheveling van het gemeentelijke budget naar de lumpsumfinanciering met slecht onderhouden gebouwen blijft zitten, zal dit op den duur ten koste kunnen gaan van het personeelsbestand. Dan zullen de klassen groter worden, wat risico’s met zich meebrengt voor de onderwijskwaliteit.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl