Veel meer geld nodig voor gelijke kansen

In een brandbrief van onder andere de PO-Raad staat dat er veel meer geld moet naar het onderwijsachterstandenbeleid en voor- en vroegschoolse educatie (vve). De brief, die is gericht aan de Tweede Kamer, staat in het teken van gelijke kansen voor alle kinderen.

In de brandbrief slaan de afzenders alarm over een door het kabinet aangekondigde bezuiniging van 65 miljoen euro in 2018 op het budget voor schoolbesturen en gemeenten voor onderwijsachterstandenbeleid. Ook trekken ze aan de bel over een voorgestelde herverdeling van het beschikbare geld. Door die herverdeling zouden met name grote gemeenten minder geld krijgen, terwijl kleinere gemeenten meer zouden krijgen.

De brandbrief gaat tevens in op een recent rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Daaruit blijkt volgens de afzenders dat er een verdubbeling van het budget nodig is, omdat het aantal kinderen met een groot risico op achterstand meer dan twee keer zo groot zou zijn als waar het kabinet van uitgaat.

‘Wij willen alles op alles zetten om voor alle kinderen een goede start mogelijk te maken. Maar het kabinet dreigt af te breken wat in de voorscholen en het primair onderwijs is opgebouwd’, aldus de afzender van de brandbrief.

Download de brandbrief die mede is ondertekend door de VO-raad, belangenorganisatie Ouder & Onderwijs, de schoolleidersvakbond AVS, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en andere gemeentelijke organisaties en organisaties in de kinderopvang.

PvdA-plan voor gelijke onderwijskansen

De Tweede Kamerleden Loes Ypma en Mohammed Mohandis van de Partij van de Arbeid hebben een initiatiefnota gepresenteerd voor gelijke onderwijskansen. Hun nota volgt op de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er in toenemende mate sprake is van kansenongelijkheid in het onderwijs.

In de initiatiefnota staan 14 punten vermeld:

  1. Bij iedere beleidswijziging moet het kabinet beargumenteren hoe deze beleidswijziging bijdraagt aan het vergroten van gelijke onderwijskansen.
  2. De leraar kan omgaan met verschil en maakt meer gebruik van de mogelijkheden van ICT.
  3. Ieder lerarenteam op de basisschool bestaat over 5 jaar voor 15% en over 10 jaar voor 30% uit universitair opgeleide leraren.
  4. Leraren krijgen meer tijd om hun lessen voor te bereiden, elkaar feedback te geven en kinderen individueel te begeleiden.
  5. Alle kinderen kunnen vanaf hun tweede jaar twee dagen per week op de voorschool terecht.
  6. Het schooladvies wordt verplicht naar boven bijgesteld als de uitslag op de eindtoets hoger is dan het originele schooladvies.
  7. Ieder kind heeft recht op een meervoudig advies (bijvoorbeeld vmbo GL/T-havo) en heeft het recht te worden toegelaten op beide onderwijsniveaus van het advies.
  8. Scholengemeenschappen en brugklassen met meerdere onderwijsniveaus worden financieel en in regelgeving gestimuleerd.
  9. Doorstroomrecht naar een ander onderwijsniveau zonder aanvullende eisen.
  10. Het is mogelijk vakken op een hoger (of lager) niveau af te ronden en dit wordt op het maatwerkdiploma vermeld.
  11. Waardering van ons beroepsonderwijs en een betere overstap van mbo naar hbo.
  12. Scholen worden positief gewaardeerd en beoordeeld als zij maatwerk mogelijk maken voor hun leerlingen door ruimte te bieden voor verschil in tempo, leerstijl en het volgen van vakken op verschillende niveaus.
  13. Scholen met veel aantal achterstandsleerlingen ontvangen een hogere bijdrage per leerling.
  14. Minderjarige mbo’ers krijgen een vergoeding voor bijkomende schoolkosten, zodat ze niet langer duurder uit zijn dan hun leeftijdsgenoten op de havo of het vwo.

Download de initiatiefnota Gelijke onderwijskansen

‘Extra geld welkom maar niet nodig’

‘Het staat private partijen natuurlijk vrij om private bijdragen aan onderwijsinstellingen te doen’, schrijft minister Jet Bussemaker van OCW in een brief aan de Tweede Kamer.

De SP wilde van de minister weten hoe groot zij het risico acht dat bijvoorbeeld muziekonderwijs afhankelijk wordt van verwerving van financiering via private activiteiten, zoals crowdfunding.

Bussemaker antwoordt dat ‘de bekostiging van instellingen toereikend is om daarmee uitvoering te geven aan de wettelijke taken’ en dat private partijen daarbovenop geld mogen geven aan scholen.

Inkomen mag niet bepalend zijn voor onderwijskansen

In Nederland moeten alle kinderen het onderwijs kunnen volgen dat past bij hun talenten. Het inkomen of opleidingsniveau van hun ouders mag niet bepalend zijn. Dat benadrukken minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW in reactie op de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat de tweedeling in het onderwijs groeit.

‘Sociaal milieu speelt altijd een rol bij de onderwijskansen. Niettemin, onderwijskansen zouden gebaseerd moeten zijn op wat je kan, niet op het sociale milieu waaruit je komt’, zo staat in de beleidsreactie die Bussemaker en Dekker naar aanleiding van het rapport De Staat van het Onderwijs hebben doen uitgaan. In dat rapport staat dat de kansenongelijkheid tussen kinderen van laag- en hoogopgeleide ouders toeneemt.

‘We kunnen niet genoeg benadrukken dat een goed toegankelijk onderwijssysteem met kansen voor alle leerlingen cruciaal is in een open samenleving die internationaal meetelt’, aldus de minister en de staatssecretaris. Zij stellen al langer aandacht te vragen voor sociale ongelijkheid.

Onderwijskansen en segregatie

Zij verwijzen daarbij naar de publicatie Twee werelden, twee werkelijkheden, die publicist Margalith Kleijwegt op verzoek van minister Bussemaker heeft gemaakt. Deze publicatie laat zien hoe sterk de segregatie in het Nederlandse onderwijs is.

Ook refereren ze aan de publicatie Gescheiden Werelden van het Sociaal en Cultureel Planbureau en de kabinetsreactie daarop, waarin Bussemaker en Dekker aangeven welk beleid ze voeren ‘om te komen tot een meer gelijke verdeling van kansen op maatschappelijk succes’, zoals het in de beleidsreactie wordt genoemd.

Ouders en scholen beïnvloeden onderwijskansen

Er ligt volgens Bussemaker en Dekker een complex aan oorzaken ten grondslag aan de groeiende tweedeling die de inspectie signaleert. Als eerste noemen ze de toenemende invloed van het (keuze)gedrag van ouders. ‘Dat is op individueel niveau goed te begrijpen. Elke ouder wil immers het beste voor zijn of haar kind. Maar maatschappelijk gezien heeft het ongewenste effecten’, zo schrijven ze in hun beleidsreactie.

Verder zijn er volgens Bussemaker en Dekker ‘veel overgangen en selectiemomenten die voor kinderen van lager opgeleide ouders (…) een knelpunt vormen’. Tot slot stellen ze dat het gedrag van schoolleiders en schoolbesturen debet zijn aan de groeiende tweedeling: ‘Er kan immers spanning ontstaan tussen enerzijds het belang van de school en anderzijds hun maatschappelijke opdracht’.

Lees ook het commentaar van adjunct-directeur Anna Schipper van VOS/ABB, die stelt dat de groeiende tweedeling in het onderwijs het gevolg is van slecht beleid van Sander Dekker, voor wie het tegengaan van segregatie de afgelopen jaren totaal geen issue was.