Wat zegt 110 miljoen?

‘Basisscholen houden 110 miljoen euro op de plank’, kopten de media onlangs. Wat is 110 miljoen? Is dat veel? 

De PO-Raad wijst er in een reactie op dat schoolbesturen voor primair onderwijs gemiddeld 1,1 procent van het geld dat zij krijgen als reserve achter de hand houden. Het gaat hier om een gemiddelde, dus per schoolbestuur kan het verschillen. Dat is logisch, want de gemiddelde organisatie bestaat niet. Het ene bestuur heeft bijvoorbeeld prima schoolgebouwen en hoeft dus minder geld te reserveren voor onderhoud dan een bestuur met veel oude gebouwen.

Met het getal ‘110 miljoen’ kun je natuurlijk goed scoren. Het wordt voor de media direct een stuk minder interessant als ze in hun koppen zouden moeten melden dat schoolbesturen bijna 99 procent van hun geld uitgeven, vooral aan lerarensalarissen. Een spaarpotje van 1,1 procent, daar maak je als journalist geen groot nieuws mee. Daarmee verkoop je geen kranten en haal je geen adverteerders binnen.

Nutteloos oppotten?

Berichten over schoolbesturen die slechts aan ‘oppotten’ zouden doen en veel geld nutteloos ‘op de plank’ zouden laten liggen, worden regelmatig door de media en de onderwijsbonden verspreid. Het beeld dat zij hiermee oproepen, strookt echter niet met de werkelijkheid, om het maar even eufemistisch uit te drukken. De berichten zijn wel te verklaren, vanuit het standpunt dat de lerarensalarissen omhoog moeten. Maar het onderwijs bestaat uit meer dan alleen salarissen. Dat weten de vakbonden ook wel.

Bovendien wordt in de berichtgeving al of niet bewust een klassieke fout gemaakt, namelijk dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen eenmalig en structureel geld. De 110 miljoen die zogenaamd nutteloos op de plank blijft liggen, is eenmalig geld. Als je daar de lerarensalarissen al mee zou wíllen verhogen, kan dat dus maar één keer. Leraren vinden het natuurlijk wel zo prettig als zij ook in de jaren daarna hun hogere salaris krijgen.

Daar komt bij dat veel schoolbesturen geld voor personele calamiteiten reserveren. Het zijn met name de bonden die er altijd op hameren dat er genoeg geld moet zijn voor bijvoorbeeld een sociaal plan als de nood aan de man is.

Extra risico’s

Wat hier zeer zeker ook moet worden benoemd, is dat er de laatste jaren verschillende financiële risico’s bij de schoolbesturen zijn neergelegd. Denk aan arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim en aan de doordecentralisatie van het gebouwenonderhoud.

Bovendien zullen ook scholen worden geconfronteerd met hoge kosten die samenhangen met de komende energietransitie. Dat is een verontrustende gedachte, omdat iedereen met een beetje verstand van onderwijsfinanciën weet dat het budget voor de materiële instandhouding al jaren structureel ernstig tekortschiet.

Het spaarpotje van 110 miljoen euro dat de schoolbesturen achter de hand houden, is dus al en met al volstrekt logisch.

Hans Teegelbeckers, directeur VOS/ABB

Berichten over oppotten tendentieuze onzin

Een verantwoorde financiële buffer opbouwen is wat anders dan geld overhouden. Dat is de strekking van antwoorden van minister Jet Bussemaker van OCW op Kamervragen van de Partij van de Arbeid.

Kamerlid Mohammed Mohandis van de PvdA stelde vragen naar aanleiding van een artikel in NRC. De krant meldde op basis van een bericht van de Algemene Onderwijsbond (AOb) dat onderwijsinstellingen in 2012 ruim 300 miljoen euro hebben overgehouden. De AOb gebruikt de tendentieuze term ‘oppotten’.

De minister zet dit bericht voor Mohandis in een verhelderend kader: ‘Een incidenteel positief resultaat betekent niet per definitie dat de sectoren geld ‘overhouden’. Voor een prudent financieel beleid is het zaak om op de lange termijn naar evenwicht te streven. Dit sluit aan bij de bevindingen van de commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstelling.’

Deze commissie, ook wel bekend als de commissie-Don, adviseerde dat onderwijsinstellingen een meerjarige financiële planning en een op de eigen omstandigheden toegesneden risicoanalyse moesten opstellen. ‘Instellingen kunnen zelf van jaar tot jaar een inschatting maken om in te teren, te lenen of te sparen om zo een financiële buffer op te bouwen voor het opvangen van risico’s of om te investeren’, aldus Bussemaker.

De situatie in het primair en voortgezet onderwijs relativeert het AOb- en NRC-bericht nog verder. Het basisonderwijs liet in 2012 een positief resultaat zien van 5 miljoen euro, wat overeenkomst met 0,1 procent van de totale baten. Het was voor het eerst sinds 2008 dat er een positief resultaat was. In de jaren 2010 en 2011 was het totale negatieve resultaat 233 miljoen euro (in de min dus).

Het voortgezet onderwijs had in deze jaren een totaal negatief resultaat van 140 miljoen euro. In 2012 was er een positief resultaat van 94 miljoen euro. Dat kwam overeen met 1,2 procent van de totale baten.