Twee stichtingen hebben de Staat in twee afzonderlijke procedures gedagvaard en van de rechter geëist dat deze de mondkapjesplicht buiten werking zou stellen. De mondkapjesplicht maakt volgens hen een ontoelaatbare inbreuk op een aantal grondrechten. Het gerechtshof Den Haag heeft vandaag in beide procedures de stichtingen ongelijk gegeven en geoordeeld dat de Staat de mondkapjesplicht in redelijkheid heeft mogen invoeren en uitbreiden.

De Stichting Bewust Nederland verzet zich tegen de mondkapjesplicht in het algemeen. De Stichting Ik wil gewoon naar school verzet zich meer specifiek tegen de mondkapjesplicht in het onderwijs. Beide stichtingen zijn van mening dat de mondkapjesplicht in strijd is met een aantal grondrechten. Volgens hen levert het gebruik van niet-medische mondkapjes geen bijdrage aan de bestrijding van het coronavirus en heeft het zelfs (zeer) nadelige effecten. De stichtingen stellen dat de verplichting om een mondkapje te dragen daarom ook niet proportioneel is.

De rechtbank heeft de stichtingen eerder ongelijk gegeven. Vandaag heeft ook het gerechtshof Den Haag de vorderingen van de stichtingen afgewezen. Het hof heeft voorop gezet dat de vraag welke maatregelen moeten worden getroffen ter bestrijding van de coronacrisis, of die maatregelen proportioneel zijn en of hetzelfde doel niet bereikt kan worden met minder ingrijpende maatregelen, primair een politieke afweging vergt. De rechter mag weliswaar “vol” toetsen aan de grondrechten, maar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens laat de regeringen van de lidstaten in het kader van de proportionaliteitsvraag wel een zekere afwegingsruimte. De civiele rechter moet zich daarom terughoudend opstellen bij de beoordeling van de keuzes die de Staat binnen de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsruimte maakt. Dat geldt zeker voor de rechter in kort geding en met name als wordt gevorderd dat een wettelijke regeling onverbindend wordt verklaard, wat wil zeggen dat deze buiten toepassing blijft. Uitgangspunt is dat de rechter in kort geding zo’n vordering alleen mag toewijzen als buiten redelijke twijfel staat dat deze regeling om de aangevoerde redenen buiten toepassing moet blijven.

Het hof heeft geoordeeld dat de Staat in redelijkheid op de adviezen van het OMT mag afgaan. De mondkapjesplicht is in lijn met die adviezen. De Staat heeft ook in redelijkheid mogen besluiten dat een mondkapjesplicht niet alleen noodzakelijk, maar ook proportioneel is. Daarbij is onder meer van belang dat er uitzonderingen zijn geformuleerd.

In de procedure van de Stichting Ik wil gewoon naar school heeft het hof ook geoordeeld dat de Staat in redelijkheid een dringend advies mocht geven aan de basisscholen om kinderen uit de groepen 6, 7 en 8 een mondkapje te laten dragen.

De uitspraken zijn hier en hier te vinden.