Hoe gaat er écht aan toe in het christelijk onderwijs?

Met hun gezamenlijke reactie op het boek Inperking vrijheid van onderwijs nemen voorzitter Wim Kuiper van de christelijke besturenorganisatie Verus en zijn collega Pieter Moens van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS) een loopje met de werkelijke gang van zaken binnen het christelijk onderwijs. Dat is af te leiden uit een reactie van Carel Verhoef, auteur van het boek en oud-conrector van het christelijke Marnix College in Ede.

Kuiper en Moens reageerden in december in het Reformatorisch Dagblad op het boek van Verhoef. Zij weerspraken in hun reactie, waarmee zij een ‘felle aanval op artikel 23’ zouden hebben afgeslagen, onder andere dat het overgrote deel van de protestants-christelijke en rooms-katholieke scholen nauwelijks nog een christelijk karakter heeft. Met name Kuiper trok dit in twijfel, maar Verhoef constateert dat de Verus-voorzitter daarbij uitsluitend wees op de dagopening, de Bijbelvertelling en christelijke feesten die het verschil met het openbaar onderwijs zouden maken.

‘Feit is dat op veel ‘open’ christelijke scholen het gebed is verdwenen, de dag- of weekopening is teruggebracht tot een algemeen praatje over een actueel probleem, de godsdienstles is ingeruild voor levensbeschouwing en de kerstviering is vervangen door een musical zonder een specifiek kerkelijk of godsdienstig karakter’, aldus Verhoef.

Identiteitsvervaging
De auteur van het boek wijst ook op het personeels- en toelatingsbeleid van christelijke scholen, die nog weinig met de identiteit van de scholen te maken zouden hebben. ‘Door het benoemen van docenten en het toelaten van leerlingen met een andere godsdienstige of levensbeschouwelijke achtergrond dan de grondslag van de school aangeeft, is een ‘veralgemenisering’ ontstaan die tot identiteitsvervaging heeft geleid.’

In zijn boek schrijft Verhoef ook over het volgens hem segregerende karakter van het bijzonder onderwijs. Kuiper beweerde in reactie daarop dat het bijzonder onderwijs vrijwel net zo veel allochtone leerlingen op als het openbaar onderwijs opneemt. Volgens Verhoef is dit niet waar. Hij wijst erop dat maar weinig reformatorische en vrijgemaakte scholen allochtone leerlingen toelaten. ‘Het CNS Ede hanteert als norm niet meer dan 15% allochtone leerlingen per klas, ondanks dat de Commissie Gelijke Behandeling al in 2003 dit in strijd met de wet verklaarde’, aldus Verhoef.

Discriminerende ideeën
Moens ontkende in het Reformatorisch Dagblad dat ‘gesloten’ bijzondere scholen ‘een isolement scheppen waarbinnen segregerende en discriminerende ideeën kunnen gedijen die diametraal staan op de grondslagen van onze democratische rechtsstaat’, zoals Verhoef het uitdrukt. Volgens Verhoef is dat wel degelijk het geval.

‘Het VGS werkt met de lesmethode Wonderlijk waar, in tegenstelling tot de Wet Gelijke Behandeling, een negatieve opstelling ten aanzien van homoseksualiteit voorkomt. Op reformatorische scholen wordt de geschiedenismethode Er is geschied gebruikt, waarin kwetsende passages staan als ‘Nederland is vol’ en waar de rooms-katholieke leer als dwaling wordt voorgesteld, omdat die ingaat tegen Gods Woord’, aldus Verhoef.

Carel Verhoef is een van de sprekers tijdens het middagsymposium Inperking vrijheid van onderwijs? op 1 maart op de Universiteit van Humanistiek in Utrecht.