Hoger beroep in zaak rond gemiste klassenfoto

De Haagse Scholen voor openbaar primair onderwijs in Den Haag gaat in beroep tegen de uitspraak in de zaak over een gemiste klassenfoto. De stichting werd in juli veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van 500 euro vanwege indirect onderscheid op basis van geloofsovertuiging (discriminatie).

De Haagse Scholen werden veroordeeld tot het betalen van de schadevergoeding, omdat twee leerlingen van de openbare Maria Montessorischool in Den Haag niet op de klassenfoto konden vanwege het islamitische Offerfeest. De fotosessie was op de dag van dat feest gepland.

De moeder van de kinderen spande een rechtszaak aan, omdat zij het discriminerend vond dat de school de fotograaf juist op een islamitische feestdag liet komen, waardoor haar kinderen niet op de foto konden. Ze eiste een schadevergoeding van 10.000 euro. Dat bedrag ging de Haagse kantonrechter te ver, maar deze vond 500 euro (250 euro per kind) wel op zijn plaats, omdat de school volgens de rechter onderscheid heeft gemaakt tussen leerlingen. Dat mag niet volgens de Algemene wet gelijke behandeling.

De school voerde aan dat geprobeerd is de afspraak met de schoolfotograaf te verzetten, maar dat dat helaas niet lukte. Daarna is de fotograaf op een andere dag teruggekomen om van de islamitische leerlingen individuele foto’s te maken, maar de klassenfoto kon toen niet worden overgemaakt.

Openbaar onderwijs, iedereen welkom

De Haagse Scholen gaan in een persbericht in op het besluit om in hoger beroep te gaan. In het persbericht wordt benadrukt dat op openbare scholen iedereen welkom is en dat het openbaar onderwijs zich maximaal inzet om het onderwijs voor ieder kind toegankelijk te maken. ‘De school houdt dan ook bij het opstellen van de jaarkalender rekening met (onder andere islamitische) feestdagen’, zo staat er.

De planning van de klassenfoto berustte volgens de stichting op een misverstand, waarna actie ondernomen is om de gevolgen daarvan te herstellen. ‘De school heeft diverse initiatieven genomen om het zo goed mogelijk te organiseren voor de ouders die deze dag met hun kinderen het Offerfeest wilden vieren. Er zijn bijvoorbeeld vervangende foto’s vervaardigd en gratis beschikbaar gesteld. Helaas bleken de getroffen maatregelen onvoldoende voor de eisende ouders.’

Het oordeel van de kantonrechter dat de stichting indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van geloofsovertuiging (discriminatie) is volgens de stichting onjuist. ‘Na een zorgvuldige afweging willen we deze zaak opnieuw laten beoordelen en kiezen wij voor hoger beroep. Daarbij speelt vooral een rol dat de rechtbank in eerste aanleg de feitelijke gang van zaken niet volledig heeft getoetst. De stichting heeft behoefte aan een uitspraak op basis van een volledige beoordeling van de gang van zaken.’