Meer kinderen naar buitenschoolse opvang

Van de kinderen tussen 4 en 12 jaar gaat ongeveer een kwart naar de buitenschoolse opvang. Dat aandeel neemt licht toe, meldt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het rapport Kijk op kinderopvang.

De lichte groei die het SCP signaleert, kan volgens het planbureau samenhangen met nieuwe nieuwe investeringen in de kinderopvang, maar ook met de economische opleving, waardoor meer ouders aan het werk zijn.

Kwaliteit

Het SCP schrijft in het rapport ook dat de kwaliteit van de opvang licht verbetert. De zogenoemde emotionele kwaliteit wordt als voldoende beschouwd, maar de educatieve kwaliteit ligt op een lager niveau.

‘Daarmee lijkt de kwaliteit als opvanginstrument goed te zijn; maar wil de opvang ook een goed ontwikkelinstrument zijn, dan lijkt er nog ruimte voor verbetering’, aldus het SCP.

Kosten

Ouders lijken volgens het SCP tegenwoordig wat minder negatief te denken over de betaalbaarheid van de opvang dan enkele jaren geleden, maar nog steeds vindt een substantieel deel de opvang (te) duur. Zo is volgens ruim vier op de tien ouders de opvang ‘tegenwoordig bijna niet meer te betalen’.

Lees meer…

Hogere toeslag voor buitenschoolse opvang

Nagenoeg alle werkende ouders met kinderen op de buitenschoolse opvang gaan er vanaf 1 januari 2019 op vooruit, meldt de rijksoverheid.

Door een hogere kinderopvangtoeslag zijn zij per saldo minder kwijt aan kinderopvang. Het kabinet verhoogt het budget voor de kinderopvangtoeslag met 248 miljoen euro per jaar. Ook de kinderbijslag en het kindgebonden budget gaan omhoog.

Lees meer…

 

SGP vertrouwt dorpse overblijfouder op blauwe ogen

De SGP vindt dat overblijfouders van kleine basisscholen op het platteland geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) hoeven te hebben. Dit staat in een reddingsplan voor kleine scholen van de staatkundig gereformeerden.

SGP-Tweede Kamerlid Roelof Bisschop noemt het ‘merkwaardig’ dat overblijfmedewerkers van kleine dorpsscholen een VOG moeten hebben. Volgens hem kent iedereen in een dorp elkaar goed en zijn het vrijwel altijd ouders die doorgaans op hun eigen kinderen en hun vriendjes passen.

VOG verplicht in onderwijs

De VOG is in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs verplicht voor onder leraren, (adjunct-)directieleden, (con-)rectoren en onderwijsondersteunende functionarissen, externe leraren (bijvoorbeeld gedetacheerd of werkzaam via een uitzendbureau), externe (adjunct-)directieleden, LIO-stagiaires (leerovereenkomst of leerarbeidsovereenkomst), conciërges en schoonmaakpersoneel (eventueel extern ingehuurd) en dus ook voor overblijfmedewerkers.

Een VOG is een verklaring waaruit blijkt dat het gedrag van iemand in het verleden geen bezwaar vormt voor het vervullen van een specifieke taak of functie. In het onderwijs is een VOG verplicht vanwege de kwetsbare positie van kinderen. Het betreft hier onder andere het risico van (seksueel) misbruik.

Ouders vinden kindcentrum erg handig

De redenen waarom ouders kiezen voor een kindcentrum in plaats van een ‘gewone’ school, zijn deels praktisch en deels inhoudelijk van aard. Dat blijkt uit het onderzoek Ouders over kindcentra 2017.

De belangrijkste redenen voor ouders om te kiezen voor een kindcentrum, zijn dat het handig is voor het brengen en halen dat alles op één plek zit, dat de professionals een goede band hebben met de kinderen en dat de overblijf goed is geregeld.

Ouders noemen ook als redenen dat in kindcentra professionals met verschillende deskundigheden met elkaar samenwerken, dat er een veilige en vertrouwde omgeving voor de kinderen is en dat er aandacht is voor een brede ontwikkeling. Ook wordt de soepele overgang tussen school en buitenschoolse opvang genoemd.

Lees meer…

Buitenschoolse opvang in 10 jaar tijd fors gegroeid

In 2016 gingen 441.000 kinderen naar de buitenschoolse opvang, terwijl dat er 10 jaar geleden 253.000 waren. Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Kinderen verblijven gemiddeld 370 uur per jaar in de buitenschoolse opvang. Voor dit getal baseert het CBS zich op de situatie in 2015.

Lees meer…

Meer ouders maken gebruik van opvang

In het vierde kwartaal van 2016 gingen 702.000 kinderen naar de dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouders. Dat waren er 23.000 meer dan in het derde kwartaal. De toename heeft te maken met het feit dat steeds meer ouders werken, meldt het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

Ruim de helft (325.000 kinderen) gaat naar de buitenschoolse opvang (bso). Dat meer ouders gebruikmaken van onder andere de bso komt volgens SZW vooral door de aantrekkende economie. Steeds meer vrouwen en mannen met kinderen werken. Ook speelt de hogere kinderopvangtoeslag een rol.

Minister Lodewijk Asscher van SZW vindt het ‘fantastisch om te zien dat er steeds meer moeders werken en dat hun kinderen het dan tegelijkertijd naar hun zin hebben op de opvang’.

Lees meer…

Buitenschoolse opvang in Engels, Duits of Frans

Vanaf 1 september mag buitenschoolse opvang voor ten hoogste 50 procent in het Engels, Duits of Frans worden aangeboden. De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is hiervoor gewijzigd.

Beroepskrachten meertalige buitenschoolse opvang moeten over de juiste opleidingseisen en taaleisen voldoen. Voor wat betreft de opleidingseisen wordt aangesloten bij de eisen die gelden voor reguliere beroepskrachten.

Verder moeten zij beschikken over een certificaat of een diploma waaruit blijkt dat ze het Engels, Duits of Frans beheersen op ten minste niveau B2 van het Europees Referentiekader voor Talen.

Houders moeten in hun pedagogisch beleidsplan beschrijven hoe zij de meertalige buitenschoolse opvang in hun kindercentrum vormgeven.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Buitenschoolse opvang met Engels, Duits of Frans

Het moet op korte termijn mogelijk worden om buitenschoolse opvang meertalig aan te bieden. Dat staat in een brief van minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer.

De gemeente Amsterdam kwam met een pilotvoorstel voor meertalige kinderdagopvang en buitenschoolse opvang. Amsterdam wil hiermee een zo aantrekkelijk mogelijk vestigingsklimaat voor expats en internationale ondernemers creëren. Meertalige opvang zou goed aansluiten op het al bestaande internationale en meertalige onderwijs.

Naar aanleiding van het Amsterdamse verzoek is een aantal partijen geconsulteerd over meertalige opvang. De Brancheorganisatie Kinderopvang en de sectororganisatie PO-Raad hebben Asscher laten weten daar voorstander van te zijn. De Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang en peuterspeelzalen (BOinK) en de MOgroep zijn dit eveneens, maar vragen ook aandacht voor de Nederlandse taal, zo laat Asscher aan de Kamer weten.

Naar aanleiding van deze consultaties wil Asscher het op korte termijn mogelijk maken om buitenschoolse opvang voor kinderen in de leeftijd van het primair onderwijs meertalig aan te bieden. Hij noemt daarbij de talen Engels, Duits en Frans.

Minder ouders maken gebruik van buitenschoolse opvang

Ouders moeten meer betalen voor buitenschoolse opvang (bso). Dat heeft ertoe geleid dat daar minder gebruik van wordt gemaakt, meldt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Er wordt meer informele opvang georganiseerd met familie of bekenden.

Het SCP keek onder andere naar de instroom in de kinderopvangtoeslag voor bso. Die instroom nam in de periode 2011-2013 af van 91.000 naar 76.000. Tegelijkertijd nam de uitstroom toe van 83.000 in 2011 naar 98.000 in 2012 (de cijfers over 2013 zijn niet beschikbaar).

Gecorrigeerd voor het afnemend aantal geboortes en voor kinderen die geen toeslag meer krijgen maar wel op de opvang zitten, zijn de verschillen overigens iets kleiner, meldt het SCP.

De meeste ouders die minder of helemaal niet meer gebruikmaken van bso, noemen de gestegen kosten doorslaggevend voor hun besluit, al of niet in combinatie met gedaalde inkomsten of de vrees daarvoor. De gestegen werkloosheid als gevolg van de economische crisis en het risico om zonder baan te komen zitten, spelen hierbij een belangrijke rol.

Download het SCP-rapport ‘Krimp in de kinderopvang’

Beter toezicht kinderopvang, maar nog niet goed genoeg

De verbetering van het toezicht op de kinderopvang door de gemeenten heeft zich in 2012 doorgezet. Dit constateert de Inspectie van het Onderwijs in het rapport Kwaliteit gemeentelijk toezicht kinderopvang 2012/2013.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang. Zij moeten alle kinderopvangcentra (dagopvang, buitenschoolse opvang, peuterspeelzalen en gastouderbureaus) jaarlijks door de GGD laten controleren. De Inspectie van het Onderwijs ziet erop toe of de gemeenten deze wettelijke taak goed uitvoeren.

Uit het toezicht door de inspectie in 2012 blijkt dat toen 90 procent van het verplicht aantal onderzoeken door de gemeenten is uitgevoerd. Hiermee kwam het percentage op hetzelfde niveau als 2010, na een tussentijdse daling tot 86 procent in 2011. Het aandeel gemeenten dat alle verplichte onderzoeken realiseert, is teruggelopen van 52 naar 36 procent, maar 66 procent bezoekt ten minste 9 op de 10 locaties (tegen 64 procent in 2011).

De inspectie meldt dat gemeenten in 2012 en 2013 goede stappen hebben gezet in de verbetering van de handhaving. ‘Zij handhaven vaker en consequenter. Daardoor is het aantal achterblijvende gemeenten behoorlijk gedaald’, aldus de inspectie.

Knelpunten bij huisvesting bso in de school

De handreiking is een gezamenlijk initiatief van het Waarborgfonds Kinderopvang, VOS/ABB en de VNG. Het boekje wordt naar alle scholen gestuurd en is ook digitaal beschikbaar (zie rechterkolom van dit bericht).

De vijf workshops staan gepland voor november en december en zijn bestemd voor:

– gemeentelijke beleidsmedewerkers kinderopvang en onderwijshuisvesting
– schoolbesturen basisonderwijs
– kinderopvangondernemers in de BSO.

Tijdens het programma wordt de handreiking toegelicht, waarna de deelnemers aan de slag gaan met door henzelf ingebrachte knelpunten bij de huisvesting van BSO in schoolgebouwen. Aan het eind van de dag worden lokale oplossingen gepresenteerd en mogelijke knelpunten die landelijk moeten worden opgelost, geïnventariseerd.

De workshops vinden plaats op 17 november in Haarlem, 24 november in Eindhoven, 1 december in Nijmegen, 2 december in Assen en 3 december in Rotterdam van 10.30 tot 16.00 uur.

Meer informatie over het programma en inschrijfformulier.

Bijlagen