Voortgezet onderwijs kan minder lesuren inplannen

‘Scholen hebben veel ruimte om de onderwijstijd naar eigen inzicht in te vullen, ook met minder lesuren. Het is nu aan betrokkenen in het onderwijs om deze mogelijkheden aan te grijpen’, benadrukt onderwijsminister Arie Slob in een brief aan de Tweede Kamer.

‘Ik realiseer me dat veel leraren én leerlingen in het voortgezet onderwijs werkdruk ervaren en dat veel leraren meer ontwikkeltijd wensen’, schrijf Slob. ‘Een eerste stap om meer ruimte te creëren voor maatwerk en voor ontwikkeltijd was de recente modernisering van de wettelijke normen voor onderwijstijd in het voortgezet onderwijs’, zo voegt hij eraan toe.

Hij doelt op de verruiming van de urennormen per 1 augustus 2015. Sindsdien kunnen meer onderwijsactiviteiten volledig meetellen als onderwijstijd dan alleen reguliere lesuren. ‘Ook bijvoorbeeld projecten, (onderzoeks-)opdrachten, (al dan niet facultatieve) keuzewerktijd, ICT-ondersteund onderwijs, maatschappelijke of beroepsgerichte stages of een maatschappelijke diensttijd kunnen worden ingepland als onderwijstijd’, aldus de minister.

‘Er is dus geen wettelijk minimumaantal lessen dat in totaal aangeboden zou moeten worden. Evenmin zijn er wettelijke voorschriften over het aantal uren dat per vak per week of in totaal op het rooster aangeboden moet worden, noch over hoe lang een lesuur moet duren’, zo legt hij uit.

Het is nu volgens hem aan alle betrokkenen in de scholen voor voortgezet onderwijs om de onderwijstijd naar eigen inzicht in te vullen.

Lees meer… 

Met Variawet meer maatwerk in onderwijstijd

Vanaf komend schooljaar 2018-2019 is op grond van de Variawet meer maatwerk in onderwijstijd mogelijk.

Het uitgangspunt van deze wet is om leerlingen die (tijdelijk) geen voltijdsonderwijs kunnen volgen vanwege een lichamelijke en/of psychische beperking toe te laten groeien naar het volgen van de volledige onderwijstijd.

Voor leerlingen die helemaal niet naar school kunnen, blijft de mogelijkheid bestaan om op basis van een verklaring van een arts volledig vrijgesteld te worden. De scholen blijven echter zelf verantwoordelijk voor het onderwijs en het ontwikkelprogramma en bieden dit aan in overleg met de ouders/verzorgers.

Informatie: Onderwijsjuristen, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, onderwijsjuristen@vosabb.nl

Regiostakingen: geen actieve controle op onderwijstijd

De Inspectie van het Onderwijs zal niet actief nagaan of de wettelijke onderwijstijd door de komende regionale estafettestakingen in het primair onderwijs in het geding is. Daarmee stelt de inspectie zich hetzelfde op als tijdens de eerdere stakingen.

‘De lijn van de inspectie is niet veranderd’, zo laat een woordvoerder desgevraagd aan VOS/ABB weten naar aanleiding van deze eerdere tweets van de inspectie:

De inspectie wijst erop dat gedurende acht schooljaren basisschoolleerlingen ten minste 7520 uren onderwijs moeten krijgen: in de eerste vier schooljaren ten minste 3520 uren en in de laatste vier schooljaren ten minste 3760 uren. ‘De verloren uren door een korte staking zal de gemiddelde school prima kunnen invullen op andere momenten gedurende de schooljaren’, zo herhaalt de woordvoerder de inhoud van bovenstaande tweets uit november vorig jaar.

Hij voegt hieraan toe dat als de inspectie signalen krijgt dat scholen te weinig onderwijstijd hebben geprogrammeerd, dat wordt nagerekend. ‘Mochten er inderdaad te weinig uren geprogrammeerd staan, dan vragen we de school hoe de gemiste tijd gecompenseerd gaat worden. Als we reden hebben om aan te nemen dat dat niet goed komt, geven we een schriftelijke herstelopdracht.’

Lees meer over onderwijstijd

Staking: inspectie controleert niet op onderwijstijd

De Inspectie van het Onderwijs zal niet actief nagaan of de wettelijke onderwijstijd door een staking in het geding is.

Dat meldt de inspectie op Twitter naar aanleiding van de mogelijke staking in het primair onderwijs op 12 december. De inspectie voegt eraan toe dat scholen in het algemeen ruim voldoende onderwijstijd hebben geprogrammeerd, zodat verloren uren door een korte staking prima opgevangen kunnen worden.

Meer informatie over onderwijstijd

Informatie: Onderwijsjuristen, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, onderwijsjuristen@vosabb.nl

Nederlandse leraren verdienen relatief weinig

Leraren in het Nederlandse basisonderwijs verdienen minder dan hun Europese collega’s, maar maken meer lesuren in grotere klassen. Dat meldt ING op basis van cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), die door het Economisch Bureau van de bank zijn bewerkt.

Het Economisch Bureau van ING vergeleek de uitgaven van Nederland aan basisonderwijs met het gemiddelde van de uitgaven hieraan in België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Ook vergeleek het bureau de lerarensalarissen, de netto-onderwijstijd en de gemiddelde omvang van de klassen.

Zich baserend op cijfers uit 2014, meldt ING dat Nederland 1,2 procent van het bruto binnenlands product aan basisonderwijs besteedde, terwijl het gemiddelde in de hierboven genoemde landen in dat jaar 1,5 procent was.

Leraren in Nederland krijgen minder geld

Als wordt gekeken naar de salarissen in het basisonderwijs vergeleken met het gemiddelde salaris van gelijkwaardig opgeleide werknemers, dan verdienden leraren in Nederland daar 74 procent van. In dezelfde landen als hierboven genoemd, was dat 88 procent. Hier betreft het cijfers uit 2015.

De netto-onderwijstijd ligt in Nederlandse basisscholen met 930 uur per jaar hoger dan het gemiddelde van 808 uur per jaar in de andere landen. De klassen in Nederland zijn met gemiddeld 23,3 leerlingen groter dan het gemiddelde van 21,7 leerlingen in de andere Europese landen die het Economisch Bureau van ING in zijn vergelijking betrok. Ook hier baseert de bank zich op cijfers uit 2015.

Meer maatwerk in speciale omstandigheden

Voor kinderen die vanwege een lichamelijke of psychische reden tijdelijk of gedeeltelijk niet naar school kunnen, wordt het mogelijk af te wijken van de voorgeschreven onderwijstijd. Ook wordt het voor deze groep mogelijk op een andere plaats dan de school onderwijs te volgen. Dat staat in een brief van staatssecretaris Sander Dekker van OCW aan de Tweede Kamer.

De brief van Dekker hoort bij het rapport Onderwijs op een andere locatie dan de school, dat eveneens naar de Tweede Kamer is gestuurd. De brief en het rapport gaan ook in op verruimende maatregelen voor sportieve en culturele talenten in het primair onderwijs, over onderwijs op afstand aan leerlingen die tijdelijk in het buitenland verblijven en over strikte kwaliteitsvoorwaarden die Dekker aan thuisonderwijs stelt.

Lichamelijke of psychische redenen
Wat de leerlingen betreft die vanwege lichamelijke of psychische redenen tijdelijk of gedeeltelijk niet naar school kunnen, merkt Dekker in zijn brief op dat er voor hen meer maatwerk nodig is. Zo moet het mogelijk worden op een andere locatie dan de school onderwijs te volgen. Dit moet leiden tot minder ‘thuiszitters’.

‘De school maakt hierover afspraken met de ouders (…). Daarbij kan sprake zijn van bijvoorbeeld inkoop van materiaal voor afstandsonderwijs of de inhuur van specifieke expertise’, zo staat in de brief. Dekker wijst in dit kader op de verantwoordelijkheid van de scholen die voortvloeit uit passend onderwijs.

In het verlengde hiervan worden de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) aangepast om, net als in het speciaal onderwijs al geregeld is, meer mogelijkheden te hebben om af te wijken van de voorgeschreven onderwijstijd in het reguliere onderwijs. De scholen kunnen hierover afspraken maken met de Inspectie van het Onderwijs, die toeziet op de uitvoering ervan.

Sport en cultuur
Voor kinderen met een bijzonder talent op het gebied van sport of cultuur komen er ruimere mogelijkheden om onder schooltijd bijvoorbeeld wedstrijden, concoursen, trainingen en repetities bij te wonen. Deze maatregelen hebben betrekking op leerlingen met een talentenstatus van de sportkoepel NOC*NSF, leerlingen uit de groepen 7 en 8 met een dans- of muziektalent die zijn aangenomen op een DAMU-school (DAns en MUziek) en op kinderen die meedoen aan specifieke uitvoeringen.

‘School en ouders maken maatwerkafspraken over hoe zij ervoor zorgen dat de jongere aan het eind van de basisschool de kerndoelen behaalt. In de maatwerkafspraken kunnen school en ouders bijvoorbeeld afspreken dat de leerling alternatieve opdrachten maakt of op een andere locatie onderwijs krijgt’, schrijft Dekker. Het is de school die bepaalt, benadrukt hij. Het maken van maatwerkafspraken wordt volgens hem geen recht voor de ouders.

In het voortgezet onderwijs zijn volgens de staatssecretaris nu al voldoende mogelijkheden voor sport- en cultuurtalenten.

Buitenland
Voor kinderen van reizende ouders wordt het mogelijk dat zij zowel in het primair als in het voortgezet onderwijs een periode van maximaal zes maanden fulltime afstandsonderwijs kunnen volgen. Het gaat hier bijvoorbeeld om situaties waarin leerlingen tijdelijk in het buitenland verblijven vanwege werk van hun ouders of om een wereldreis te maken.

‘Het is technisch goed mogelijk op reis het onderwijs vorm te geven en contact met school te onderhouden. Zodoende kan de school begeleiding bij het onderwijs bieden en de voortgang monitoren’, meldt Dekker.

Thuisonderwijs
Ten slotte gaat de staatssecretaris in zijn brief in op thuisonderwijs. Dit moet aan strikte kwaliteitseisen voldoen. ‘Ouders dienen bij de leerplichtambtenaar een verzoek in om thuisonderwijs te mogen geven en maken een plan hoe zij dit onderwijs willen vormgeven. De leerplichtambtenaar vraagt de inspectie om haar oordeel over het onderwijsplan. De inspectie meldt de leerplichtambtenaar of de kwaliteit van het (voorgenomen) thuisonderwijs voldoende is om aan de Leerplichtwet te voldoen. Dit doet de inspectie door het door de ouders opgestelde onderwijsplan te beoordelen.’

Wie thuisonderwijs wil geven, moet minimaal een opleiding op hbo-niveau hebben behaald, beschikken over aantoonbare pedagogisch-didactische bekwaamheid en een Verklaring Omtrent het Gedrag overleggen.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Rosenmöller neemt advies minder lesuren over

‘Als we de talenten van leerlingen willen aanspreken, heeft meer lesgeven en toetsen geen zin’, zegt voorzitter Paul Rosenmöller van de VO-raad op de Dag van de Leraar in Trouw.

Rosenmöller neemt het advies van het Platform Onderwijs2032 over om leraren minder uren les te laten geven. Daarmee zou de kwaliteit van het onderwijs beter worden.

Hij roept schoolleiders op kritisch te kijken naar het aantal uren dat docenten voor de klas staan. ‘Vraag je af hoe effectief een extra lesuur is. Kwaliteit boven kwantiteit. We moeten heilige huisjes ter discussie durven stellen: het rooster, het aantal lesuren, de dominante sturing van bovenaf’, aldus de voorzitter van de VO-raad.

Minder lesuren betekent niet per se minder onderwijs, legt hij uit. ‘Leerlingen leren ook als ze zelfstandig aan het werk zijn, of tijdens een stage bij een bedrijf. Onderwijs is niet alleen een lokaal met kinderen en een leraar ervoor. Als je het klassieke model van jaarlagen en roosters loslaat, kun je onderwijs thematisch en flexibel organiseren.’

De uren die hiermee vrijkomen, kunnen volgens Rosenmöller worden benut door leraren hun eigen lesmateriaal te laten ontwikkelen. Ook zouden ze meer tijd kunnen besteden aan discussies met collega’s over het verbeteren van de lesstof.

Lees meer…

 

Meer medezeggenschap voor VO en OPR

Per 1 augustus is de Wet medezeggenschap op scholen (Wms) op enkele punten aangepast. Hierdoor krijgen de Ondersteuningsplanraad en de MR in het voortgezet onderwijs er rechten bij.

De aanpassingen voor de MR in het voortgezet onderwijs vloeien voort uit de nieuwe Wet modernisering en vereenvoudiging onderwijstijd in het voortgezet onderwijs. Per 1 augustus 2015 hebben scholen meer ruimte om het onderwijsprogramma flexibel in te vullen.

Aanpassing onderwijstijd
Volgens de nieuwe wetgeving worden de bestaande urennormen van 1040, 1000 of 700 uur per leerjaar worden vervangen door in totaal 5.700 uur (vwo), 4.700 uur (havo) en 3.700 uur (vmbo en mavo). Dit wordt geregeld in het nieuwe artikel 6g van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO). In de Wms verandert feitelijk alleen een aantal verwijzingen naar dit artikel 6g. Een technische aanpassing dus, maar wel een met gevolgen voor de bevoegdheden van de medezeggenschap. Want de nieuwe regeling van onderwijstijd kan van invloed zijn op vakanties, lesuitvalbeleid, planning en invulling van roostervrije dagen, lesrooster en taakbeleid. Allemaal onderwerpen waarvoor de (G)MR of geledingen ervan advies- of instemmingsrecht heeft. De personeelsgeleding heeft ook instemmingsrecht op het zogenoemde ‘transitieplan’ waarin het schoolbestuur vastlegt hoe de onderwijstijd is gepland. Meer informatie over deze wijzigingen in de Wms.

Ondersteuningsplanraad
De Ondersteuningsplanraad (OPR) krijgt per 1 augustus instemmingsrecht op de faciliteitenregeling. Deze gaat over vergoeding van scholingskosten voor OPR-leden. Daarnaast komt er adviesrecht op de door het samenwerkingsverband vast te stellen competentieprofielen van de toezichthouders. De MR van het samenwerkingsverband wordt daarbij uitgezonderd van dit adviesrecht, omdat anders een dubbel adviesrecht zou ontstaan. Zie verder de website over de Wms.

 

 

 

Medezeggenschap over onderwijstijd: hoe zit dat?

Bij besluiten op basis van de nieuwe regeling voor onderwijstijd in het voortgezet onderwijs speelt medezeggenschap een rol.

Na jarenlange discussie wordt de onderwijstijd in het voortgezet onderwijs per 1 augustus 2015 vereenvoudigd en gemoderniseerd. De nieuwe wetgeving biedt scholen meer ruimte om het onderwijsprogramma flexibel in te vullen. Er ontstaan meer mogelijkheden voor maatwerk voor individuele leerlingen.

Bij besluiten over onderwijstijd moet de school overleggen met de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((G)MR) of met zijn geledingen. Op een aantal punten heeft de medezeggenschapsraad op grond van de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) instemming- of adviesrecht.

Lees meer op de website over de WMS.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Voor- en nadelen aan vijfgelijkedagenmodel

Het vijfgelijkedagenmodel heeft voor- en nadelen. Dit schrijft staatssecretaris Sander Dekker in een brief aan de Tweede Kamer over onder andere dit alternatieve model voor onderwijstijd.

Dekker baseert zijn brief op een monitor die is uitgevoerd in opdracht van de ministeries van OCW en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Hij wijst erop dat schooldirecties in het primair onderwijs in het vijfgelijkedagenmodel voordelen zien wat betreft de rust in de school en de mogelijkheden voor leerkrachten om na schooltijd te werken. De korte pauzes worden ook door ouders en leerkrachten gezien als nadeel.

Het is volgens Dekker niet zo dat het vijfgelijkedagenmodel voor ouders het meest kansrijke alternatief is om werk en gezinsleven beter te organiseren, zoals in het advies Tijden van de samenleving van de Sociaal-Economische Raad (SER) wordt gesuggereerd. ‘Uit de praktijk blijkt dit niet eenduidig’, aldus Dekker.

Hij wijst er in zijn brief op dat er ouders zijn die meer zijn gaan werken en ouders die minder zijn gaan werken en dat in beide groepen er ongeveer evenveel ouders zijn die aangeven dat het vijfgelijkedagenmodel hierin wel of niet een rol heeft gespeeld. Het algehele beeld is echter positief, stelt de staatssecretaris: ‘50% van de ouders geeft aan dat zij arbeid en zorg beter kunnen combineren.’

Hij concludeert het vijfgelijkedagenmodel ‘een welkome aanvulling op het palet aan onderwijstijdmodellen waar scholen uit kunnen kiezen’.

Tweede Kamer akkoord met modernisering onderwijstijd

De Tweede Kamer heeft ingestemd met het voorstel om de onderwijstijd in het voortgezet onderwijs te moderniseren. De omstreden norm van 1040 uur verdwijnt. Het is de bedoeling dat de nieuwe situatie op 1 augustus 2015 van kracht wordt.

In plaats van een urennorm per schooljaar komt er een urennorm per opleiding. De gedachte hierachter is dat de scholen hierdoor hun onderwijstijd beter kunnen plannen en leerlingen meer maatwerk kunnen bieden.

Ook krijgen scholen de mogelijkheid om lesuitval in het ene schooljaar in het daarop volgende schooljaar op te vangen door de gemiste lesstof dan alsnog aan te bieden. Dat is gunstig voor de vervanging van docenten.

De norm voor het vmbo wordt 3700 uur verdeeld over vier jaar. Voor havo staat 4700 uur verdeeld over vijf jaar en voor vwo 5700 uur verdeeld over zes jaar. Het minimumaantal onderwijsdagen blijft 189 per jaar.

Lees meer…

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

‘Flexibele urennorm leidt niet tot overbelast examenjaar’

De flexibilisering van de urennorm in het voortgezet onderwijs zal niet leiden tot een te zware belasting van leerlingen in hun examenjaar. Dat meldt staatssecretaris Sander Dekker van OCW in de aanbiedingsbrief bij de nota over de modernisering van de onderwijstijd.

Het voortgezet onderwijs zal in het nieuwe systeem voor onderwijstijd niet meer strikt gebonden zijn aan de minimale urennormen per leerjaar gelden, maar per opleiding. Voor vmbo (vier jaar) wordt de urennorm vastgesteld op 3700 uur, voor havo (vijf jaar) op 4700 uur en voor vwo (zes jaar) op 5700 uur.

In de Tweede Kamer klonk de vrees dat dit nieuwe systeem ertoe zou kunnen leiden dat leerlingen in hun examenjaar geconfronteerd worden met extra druk doordat ze nog stof uit het jaar daarvoor moeten inhalen. Volgens Dekker is die angst ongegrond.

‘Per schooljaar moet de school aan leerlingen en ouders inzichtelijk maken hoeveel onderwijstijd per opleiding cumulatief is gerealiseerd, en hoe het totaal aantal uren is verdeeld over de verschillende leerjaren van betreffende opleiding. Omdat dit elk jaar gebeurt, is er steeds sprake van een zo actueel mogelijk beeld. Daardoor worden scholen, ouders en leerlingen niet pas in het examenjaar geconfronteerd met eventueel nog in te halen lesstof’, aldus de staatssecretaris. Hij wijst erop dat het de verantwoordelijkheid van de school is om dit goed in de gaten te houden.

Hij spreekt tegen als zou lesuitval van docenten het enige argument zijn geweest voor de invoering van het nieuwe flexibele systeem van onderwijstijd. Er zijn volgens hem ook onderwijskundige redenen en argumenten die samenhangen met de bedrijfsvoering van de school. ‘Zo zou de ene school ervoor kunnen kiezen in elk leerjaar als buffer een behoorlijke hoeveelheid extra onderwijstijd in te plannen, terwijl andere scholen ervoor kiezen krapper in te plannen en eventuele lesuitval in het volgende schooljaar in te halen.’

‘Waar het de regering om gaat, is dat scholen met dit wetsvoorstel de ruimte krijgen de onderwijstijd flexibel in te delen, zodat leerlingen daadwerkelijk het onderwijs krijgen dat zij verdienen en dat eventuele lesuitval geen nadelige consequenties heeft voor leerlingen’, aldus Dekker.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Dekker accepteert dat urennorm soms niet wordt gehaald

Het voortgezet onderwijs zal in het nieuwe systeem voor onderwijstijd niet strikt gebonden zijn aan de minimale urennormen. Dat meldt staatssecretaris Sander Dekker van OCW in een toelichting die bij het wetsvoorstel hoort.

In het nieuwe systeem zal er niet een minimale urennorm per leerjaar gelden, maar per opleiding. Voor vmbo (vier jaar) wordt de urennorm vastgesteld op 3700 uur, voor havo (vijf jaar) op 4700 uur en voor vwo (zes jaar) op 5700 uur. Om een enorme rompslomp van het bijhouden van uren te voorkomen, is het volgens Dekker niet nodig dat te doen per cohort leerlingen.

‘Indien bij het toezicht en de handhaving zou worden uitgegaan van cohorten, zou voor elk cohort gedurende de hele schoolloopbaan de geprogrammeerde en gerealiseerde onderwijstijd geregistreerd moeten worden. Dat zou een forse administratieve last betekenen’, aldus Dekker.

Hij wijst er ook op dat pas na afronding van de opleiding kan worden beoordeeld of voor een bepaald cohort aan de urennorm is voldaan. ‘Dan pas is immers definitief vast te stellen hoeveel onderwijstijd de leerlingen gedurende de hele schoolperiode daadwerkelijk hebben kunnen volgen. Het is dan echter te laat om eventuele tekorten te herstellen.’

Een bijkomende en complicerende factor is volgens Dekker dat de samenstelling van de cohorten steeds wisselt ‘doordat leerlingen verhuizen, leerjaren moeten overdoen of overslaan of overstappen naar een andere opleiding of sector’.

De consequentie van de keuze voor het nieuwe systeem is volgens de staatssecretaris dat een ‘geringe marge van onzekerheid’ wordt geaccepteerd. Hij gaat ervanuit dat de scholen hiermee zorgvuldig en professioneel zullen omgaan.

Dekker wijst er bovendien op dat door het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad op de verdeling van het aantal uren over de leerjaren ‘is gewaarborgd dat de keuzes van de school tot stand komen in goed overleg met alle betrokkenen’.

Flexibele onderwijstijd: norm 1040 uur verdwijnt

De ministerraad heeft ingestemd met het voorstel om de onderwijstijd in het voortgezet onderwijs te moderniseren. De omstreden norm van 1040 uur verdwijnt. Het is de bedoeling dat de nieuwe situatie op 1 augustus 2015 van kracht wordt.

In plaats van een urennorm per schooljaar komt er een urennorm per opleiding. De gedachte hierachter is dat de scholen hierdoor hun onderwijstijd beter kunnen plannen en leerlingen meer maatwerk kunnen bieden.

Ook krijgen scholen de mogelijkheid om lesuitval in het ene schooljaar in het daarop volgende schooljaar op te vangen door de gemiste lesstof dan alsnog aan te bieden. Dat is gunstig voor de vervanging van docenten.

De norm voor het vmbo wordt 3700 uur verdeeld over vier jaar. Voor havo staat 4700 uur verdeeld over vijf jaar en voor vwo 5700 uur verdeeld over zes jaar. Het minimumaantal onderwijsdagen blijft 189 per jaar.

Het wetsvoorstel voor modernisering van de onderwijstijd in het voortgezet onderwijs wordt rond de zomer aangeboden aan de Tweede Kamer.

Lees meer…

Informatiebrochure voor ouders en leerlingen in MR

Het ministerie van OCW heeft een brochure uitgebracht voor ouders en leerlingen in het voortgezet onderwijs die in de medezeggenschapsraad zitten.

In de brochure Schoolkosten en onderwijstijd wordt de Wet medezeggenschap op scholen (WMS) kort toegelicht.

Verder wordt uitgelegd hoe het zit met de schoolkosten: wat is wel gratis en wat niet? Daarnaast komt onderwijstijd aan de orde.

Onderwijstijd: wat komt er in het wetsvoorstel?

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW schetst in een brief aan de Tweede Kamer de contouren van het wetsvoorstel voor modernisering van de onderwijstijd in het voortgezet onderwijs. Hij zal het wetsvoorstel naar verwachting medio volgend jaar indienen.

De brief is een uitwerking van de afspraken over onderwijstijd in het Nationaal Onderwijsakkoord. Daarin staat dat de urennorm wordt gemoderniseerd.

In de brief noemt Dekker vijf punten:

  1. De minimale urennorm wordt 1000 uur en wordt niet meer per leerjaar geregeld maar per opleiding. Ook vervalt het onderscheid in maatwerk en reguliere onderwijstijd.
  2. De minimale dagennorm wordt 189 dagen. De dagen waarop er geen onderwijs hoeft te worden verzorgd, worden niet meer bij wet vastgelegd.
  3. De kwaliteitscriteria in de huidige Wet op de onderwijstijd blijven gehandhaafd.
  4. De beoordeling van wat goede onderwijstijd is en welke activiteiten daaronder kunnen vallen, blijft belegd bij de professionals en de medezeggenschap.
  5. Het beoordelingskader van de Inspectie van het Onderwijs voor de toetsing van activiteiten buiten de reguliere lessen blijft gehandhaafd.

Informatie: Helpdesk, 0348-405250 van 08.30 tot 12.30 uur, helpdesk@vosabb.nl

Wil Dekker af van 1040 uur?

Is de brief van staatssecretaris Sander Dekker van OCW over de minimale onderwijstijd een politiek pressiemiddel of stuurt hij ermee aan op het loslaten van de omstreden 1040-urennorm?

In de Wet onderwijstijd, die door de Tweede en Eerste Kamer is aangenomen, staat dat de minimale onderwijstijd in de onderbouw van het voortgezet onderwijs 1040 klokuren per jaar is. Daarbij geldt dat de school 60 uur aan maatwerkactiviteiten mag meetellen. Hiertoe rekent OCW extra taallessen, mentoruren of bijlessen die niet alle leerlingen hoeven te volgen. De wet treedt op 1 augustus in werking, dus is het logisch dat de staatssecretaris aangeeft dat per die datum de norm van 1040 uur van kracht zal zijn.

In de gesprekken over het Nationaal Onderwijsakkoord leek echter te worden aangestuurd op 1000 klokuren. Nu die gesprekken nog geen resultaat hebben opgeleverd en bovendien sinds eind juni stilliggen, blijft de norm voor de onderbouw in elk geval in het schooljaar 2013-2014 op 1040 uur liggen.

Dat de gesprekken over het Nationaal Onderwijsakkoord stilliggen, heeft te maken met de extra structurele bezuiniging van 6 miljard euro die het kabinet vanaf 2014 wil doorvoeren. Onderdeel van die bezuiniging is de nullijn voor het onderwijspersoneel. Dit was voor de Stichting van het Onderwijs, waarin werkgevers en werknemers verenigd zijn, reden om de gesprekken met het kabinet stop te zetten.

Prompt volgt de brief van staatssecretaris Dekker, waarin hij stelt dat de 1040-urennnorm in het nieuwe schooljaar geldt, terwijl het voortgezet onderwijs uitging van 1000 uur. Daarmee hebben de scholen in hun begroting rekening gehouden. De sector heeft al herhaaldelijk kenbaar gemaakt dat 1040 uur budgettair niet gaat lukken, temeer daar OCW met allerlei stille bezuinigingen het de scholen steeds moeilijker maakt om de eindjes aan elkaar te knopen.

De brief kan worden gezien als een politiek pressiemiddel: wie niet meer wil praten over het Nationaal Onderwijsakkoord, moet op de blaren zitten. Of ligt het genuanceerder? In de brief staat immers ook dat de ambitie om ‘de kostbare onderwijstijd zo effectief mogelijk te benutten’ wordt ondersteund door de aangenomen motie van D66 in de Tweede Kamer ‘om de urennorm van 1040 uur te herzien op een wijze die maximale ruimte biedt aan maatwerk voor leerlingen’. Daar kan het voortgezet onderwijs mee uit de voeten!

Daarbij komt dat de Inspectie van het Onderwijs al heeft aangekondigd niet sec naar de urennorm te zullen kijken. Het gaat de inspectie – terecht – om de onderwijskwaliteit die een school biedt. Als daar aanleiding toe is, kan de inspectie ook kijken naar het aantal uren onderwijs dat door een school is gerealiseerd. De consequentie daarvan kan zijn dat de school een boete krijgt en rijkssubsidie moet terugbetalen.

Ik ga ervan uit dat de brief van de staatssecretaris niet meer en niet minder is dan een technische mededeling, gebaseerd op een wet die nu eenmaal per 1 augustus in werking treedt. Ik hoop dat hij zo verstandig is om de scholen die ook met minder dan 1040 klokuren per jaar goede onderwijskwaliteit leveren niet het vuur na aan de schenen te leggen. Goed onderwijs is immers te waardevol voor een politiek steekspel.