Vette Rotterdamse worst moet leraren lokken

De gemeente Rotterdam wil met een bonus van duizenden euro’s leraren naar de stad lokken. Gaat dat lukken? Onlangs werd duidelijk dat leraren in het voortgezet onderwijs zich voor hun keuze om al of niet bij hun werkgever te blijven nauwelijks laten beïnvloeden door de hoogte van hun salaris.

Een jaar geleden al maakte de Rotterdamse onderwijswethouder Hugo de Jonge bekend dat zijn stad met een eigen onderwijs-cao (complementaire arbeidsafspraken onderwijs) zou komen, die ervoor moet zorgen dat de beste leraren naar de Maasstad komen. ‘Wat we nodig hebben, zijn leraren die zichzelf verbeteren en elke dag opnieuw het beste uit hun leerlingen halen,’ aldus De Jonge toen. ‘Nergens is de meerwaarde die je als leraar kunt leveren zo groot als hier.’

Naar nu bekend is geworden trekt Rotterdam 7,7 miljoen euro uit om leraren over te halen zich in de stad te vestigen. De investering zou ertoe moeten leiden dat het aandeel on- of onderbevoegde leraren in de Maasstad kleiner wordt. Dat aandeel is nu met 20 tot 30 procent een stuk hoger dan het landelijke gemiddelde van 15 procent.

Leraren die lesgeven in vakken waarvoor in de stad een tekort is, zoals Duits, natuurkunde, wiskunde en scheikunde, krijgen (bij een vast contract) een welkomstbonus van duizenden euro’s. Verder krijgen alle leraren gratis een Rotterdampas (bijvoorbeeld om één keer gratis op de Euromast te gaan en korting te krijgen bij Diergaarde Blijdorp) en komt er een Rotterdamse lerarenbeurs voor verdere professionalisering.

Staatssecretaris Sander Dekker van OCW denkt dat de Rotterdamse aanpak de stad kan helpen om het lerarentekort op te lossen, zegt hij bij de NOS: ‘Het is belangrijk om een goed opgeleide leraar voor de klas te hebben. Die docenten kunnen kiezen tussen verschillende scholen en steden. Als je als stad net even wat extra’s biedt kan dat allicht helpen.’

Gaat het lukken?
Het nieuws over het lokken van leraren met een forse financiële welkomstbonus volgt op een recent onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB), waaruit naar voren kwam dat leraren in het voortgezet onderwijs in de Randstad zich voor hun keuze om al of niet bij hun werkgever te blijven nauwelijks laten beïnvloeden door de hoogte van hun salaris.

Vanaf 2009 kregen scholen in de Randstad extra geld om meer leraren in een hogere salarisschaal te plaatsen. Het betrof een totale additionele bekostiging van 290 miljoen euro over de periode 2009-2014. Deze versterking van de Functiemix in de Randstad heeft ertoe geleid dat in 2014 bijna 20 procentpunt meer leraren in een hogere salarisschaal zijn geplaatst dan op scholen buiten de Randstad.

Eenmaal in de hogere salarisschaal, kregen de leraren uitzicht op een 17 procent hogere beloning (7200 euro bruto op jaarbasis). Doel van deze beleidsmaatregel was om de beloningsachterstand ten opzichte van banen buiten het onderwijs te verkleinen en (toekomstige) lerarentekorten in de Randstad te bestrijden.

Het CPB heeft onderzoek gedaan naar de effecten van deze hogere beloning op de kans om leraar te blijven. Het blijkt dat dat effect er niet is. ‘We hebben de uittreedkans van leraren in de Randstad vergeleken met die van leraren buiten de Randstad. Elk jaar treedt ongeveer 7 procent van de leraren uit het lerarenberoep, zowel binnen als buiten de Randstad. Dit percentage is na de invoering van de hogere beloning voor de leraren in de Randstad niet veranderd ten opzichte van leraren buiten de Randstad’, aldus het CPB.

Armoedeprobleemaccumulatiegebieden
Het feit dat in de Randstad relatief veel leraren het onderwijs verlaten, heeft te maken met het grote aantal leerlingen uit ‘armoedeprobleemaccumulatiegebieden’. Dat schrijft staatssecretaris Sander Dekker in antwoord op vragen van zelfstandig Tweede Kamerlid Norbert Klein. Zijn vragen volgden op het onderzoek van het CPB.

Dekker stelde in zijn antwoorden onder andere dat een significante voorspeller voor uitval uit het beroep het percentage leerlingen uit deze arme wijken is. ‘Hoe hoger dit percentage ligt, hoe hoger de uitval. Dit aandeel ligt ruim twee keer zo hoog in de Randstad als daarbuiten (…).’