Fusietoets fnuikt samenwerking in krimpgebieden

De fusietoets is voor het primair en voortgezet onderwijs te vaak een belemmering voor fusies in situaties waarin sprake is van krimp. Ook leidt de toets tot veel bureaucratie en administratieve lasten. Dat staat in een brief die minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW samen met het eindrapport Evaluatie Wet fusietoets aan de Eerste en Tweede Kamer hebben gestuurd. De bevindingen sluiten naadloos aan op wat VOS/ABB al jaren in de praktijk hoort van leden die met de fusietoets te maken hebben gekregen.

De Wet fusietoets, die in 2011 in werking trad, was een initiatief van de SP en de PvdA, die hiermee de menselijke maat in het onderwijs wilden bevorderen. Dat was destijds een reactie op de schaalvergroting in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. De praktijk wijst echter uit, zo bevestigen Bussemaker en Dekker, dat de fusietoets in overgrote mate feitelijk toepassing heeft gekregen in het funderend onderwijs.

De minister en staatssecretaris wijzen er in hun brief op dat juist in het funderend onderwijs de noodzaak tot samenwerking en fusie is gegroeid. Dat komt doordat het aantal leerlingen afneemt (krimp) en ook door de invoering van passend onderwijs. Er is meer behoefte ontstaan aan (bestuurlijke) fusies en samenwerking om te kunnen blijven voorzien in een breed en gevarieerd onderwijsaanbod. De wetsevaluatie bevestigt dit, zo staat in de brief aan de Kamer.

Afschrikkende werking
De fusietoets kan in de praktijk zelfs ten onrechte een afschrikkende werking hebben, schrijven de minister en de staatssecretaris op basis van het eindrapport. Daarbij wijzen ze op situaties die zich hebben voorgedaan, waarin een fusie een rechtvaardigingsgrond had, maar niet van de grond kwam als gevolg van de fusietoets. De onderzoekers die de evaluatie hebben uitgevoerd, adviseren daarom om de fusietoetsregels aan te passen.

Uit de evaluatie komt tevens naar voren dat de fusietoets tot veel bureaucratie en administratieve lasten leidt, wat in de praktijk ‘weerstand in het veld’ oproept. Bussemaker en Dekker willen samen met het onderwijs kijken hoe dat kan worden verminderd.

Ze gaan over de aanbevelingen uit de evaluatie in gesprek met ‘deskundigen, ouders en leerkrachten en andere betrokkenen uit het veld’ om te komen tot ‘een nadere uitwerking’. De minister en staatssecretaris verwachten op 1 maart 2016 op basis van die gesprekken conclusies naar de Eerste en Tweede Kamer te kunnen sturen.

Wel woorden, geen daden
Het is goed dat de pijnpunten van de fusietoets nu eindelijk expliciet door Bussemaker en Dekker zijn benoemd. VOS/ABB ervaart al jaren dat de toets een belemmering kan zijn om in krimpgebieden noodzakelijke samenwerking tot stand te brengen. Het afschrikkende karakter van de fusietoets en de bureaucratie en administratieve lasten die de toets met zich meebrengt, worden door veel leden van VOS/ABB herkend.

De datum van 1 maart 2016 waarop Bussemaker en Dekker met conclusies hopen te komen op basis waarvan de regels eventueel kunnen worden aangepast is minder gunstig. De krimp is immers nú en de wet werkt belemmerend. Een wijziging in de wet komt op deze wijze niet eerder dan 2017. De aanzet is goed, maar Bussemaker en Dekker eindigen hun brief helaas zonder krachtige conclusie en daaropvolgende daden.