Inspectie slaat alarm over toenemende segregatie

De segregatie in het onderwijs is een almaar groeiend probleem. Dat signaleert de Inspectie van het Onderwijs. ‘We zien (…) dat groepen leerlingen elkaar steeds minder tegenkomen’, zo staat in het rapport De Staat van het Onderwijs 2019.

De inspectie waarschuwt ervoor dat het probleem van de segregatie steeds groter wordt als we er niets tegen ondernemen. Het probleem speelt volgens de inspectie onder andere in de steden. Het zorgt ervoor dat de kansenongelijkheid toeneemt.

In het rapport wordt segregatie in verband gebracht met versnippering van het aanbod. Hierbij noemt de inspectie de opkomst van profielscholen met een specifiek onderwijsaanbod, waarvoor ouders soms veel geld moeten betalen. Voorbeelden zijn technasia, cultuurprofielscholen en mediawijsheidscholen.

Artikel 23 en burgerschap

Deze segregatie komt bovenop de traditionele denominatieve scheidslijnen die het gevolg zijn van artikel 23 in de Grondwet over de vrijheid van onderwijs. Deze scheidslijnen lopen tussen het openbaar onderwijs dat van en voor iedereen is en de verschillende vormen van bijzonder onderwijs, zoals protestants-christelijk, rooms-katholiek en islamitisch onderwijs. Vorig jaar liet de inspectie al zien dat deze scheidslijnen een segregerend effect kunnen hebben.

De inspectie roept in verband met de toenemende segregatie en kansenongelijkheid op tot een gerichte en gezamenlijke aanpak voor alle sectoren. Zo benadrukt de inspectie dat alle scholen hun leerlingen moeten ‘voorbereiden op deelname in de samenleving’.

Wat dit betreft is de inspectie positief over de trend dat burgerschapsonderwijs en persoonsvorming steeds meer aandacht krijgen. ‘Scholen die extra in burgerschap investeren, lijken over de tijd betere uitkomsten te behalen’, zo staat in het rapport. Maar de inspectie signaleert ook dat de meeste scholen weinig of geen inzicht hebben in de resultaten van hun burgerschapsonderwijs.

Download De Staat van het Onderwijs 2019

‘Gezeur maakt onderwijs niet beter’

‘Docenten, schoolleiders, ouders, overheidsinstanties, wetenschappers, raden en belangenverenigingen: Alle betrokkenen steunen en kreunen en leggen de verantwoordelijkheid ergens anders neer.’ Dat stelt onderzoeker en geschiedenisdocent Saro Lozano Parra op de opiniepagina van Trouw naar aanleiding van de reacties op het inspectierapport De Staat van het Onderwijs.

‘Je kunt er gif op innemen: onmiddellijk na de publicatie en de eerste nieuwsberichten over het inspectierapport gaat de zeurkraan weer open: bestuurders doen dit fout, er is sprake van curriculumvervuiling door nieuwe vakken die vroeger ook niet nodig waren, scholen zijn niet ambitieus genoeg en de VO-raad vindt het allemaal maar overdreven. Alle betrokken partijen gebruiken het rapport als haakje om aandacht te generen voor de eigen sores’, aldus de promovendus van de Universiteit Utrecht.

De belangrijkste conclusie bestaat volgens hem niet uit de bevonden resultaten van het onderwijsrapport, maar uit ‘de totale impasse’ die erop volgt. ‘Docenten, schoolleiders, ouders, overheidsinstanties, wetenschappers, raden en belangenverenigingen: Alle betrokkenen steunen en kreunen en leggen de verantwoordelijkheid ergens anders neer.’ Hierdoor lijkt volgens hem ‘een actieve, constructieve samenwerking om een gezamenlijke visie te ontwikkelen en fundamentele vragen over ons onderwijs te beantwoorden ver weg’.

Lees het opniestuk

VO-raad over De Staat van het Onderwijs: ‘Eenzijdig’

De VO-raad vindt de conclusie van de Inspectie van het Onderwijs dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt ‘eenzijdig en daarmee onterecht’.

De signalering van de inspectie dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt staat in het rapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017. Voorzitter Paul Rosenmöller van de VO-raad zegt dat dit ‘ook met dit rapport in de hand’ niet is vol te houden.

‘Al helemaal niet in een tijd dat er geen euro extra geïnvesteerd wordt in leraren in het vo, er nog steeds verkeerde prikkels in het systeem zitten en de maatschappelijke opdracht van scholen alleen maar complexer wordt’, aldus Rosenmöller.

Het beeld dat de inspectie oproept over het voortgezet onderwijs doet volgens hem ‘geen recht aan de mensen in de scholen’ die, zo benadrukt hij, ‘onder moeilijke omstandigheden en met een bescheiden bekostiging’ goede resultaten boeken.

Lees meer…

PO-Raad: Te veel eisen en te weinig waardering

‘Het jarenlang overvragen en onderwaarderen van het primair onderwijs, de lage bekostiging en een beginnend lerarentekort hebben hun tol geëist.’ Daarmee reageert de PO-Raad op de bevinding van de Inspectie van het Onderwijs dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt.

De signalering van de inspectie dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt staat in het rapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017. Voor de sectororganisatie is de negatieve ontwikkeling geen groot nieuws, zo blijkt uit de woorden van voorzitter Rina den Besten: ‘Zorgelijk, maar niet heel verrassend.’

Zij ziet het ‘tekort aan bekostiging’ en het ‘groeiend lerarentekort door te lage salarissen’ als oorzaken van de tanende onderwijskwaliteit. Er worden volgens haar ook te veel eisen gesteld: ‘Scholen worstelen met een overladen lesprogramma en hun bordje wordt alsmaar verder vol geschept.’

Den Besten vindt echter ook dat het onderwijs naar zichzelf moet kijken om te zien wat er beter kan. ‘Scherper focus aanbrengen, goed zicht hebben op de eigen kwaliteit, en daarover verantwoording willen afleggen’, aldus de voorzitter van de PO-Raad.

Lees meer…

Ministers over beter onderwijs: schouders eronder!

Verbetering van het onderwijs ligt in handen van ‘ambitieuze leraren, schoolleiders en besturen’, benadrukken de onderwijsministers Ingrid van Engelshoven en Arie Slob in reactie op het inspectierapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017

In het rapport van de Inspectie van Onderwijs staat dat de prestaties van leerlingen onder druk staan en dat de kwaliteit van het onderwijs afglijdt. Daarnaast signaleert de inspectie dat ongelijke kansen dreigen en dat grote schoolverschillen worden versterkt door toenemende sociaal-economische segregatie.

Verandering van binnenuit

Voor Van Engelshoven en Slob zijn de conclusies van de inspectie geen reden om diepgaand in te grijpen in de autonomie van scholen. ‘De verandering zal van binnenuit moeten komen, van ambitieuze leraren, schoolleiders en besturen. Zij staan daarin niet alleen. De inspectie en het ministerie werken met hen samen aan constante verbetering van de kwaliteit van het onderwijs’, zo schrijven ze in hun reactie.

De minister voegen daaraan toe dat het onderwijs niet kan worden verbeterd door de scholen ‘opnieuw te overladen met actieplannen en maatregelen, maar door een combinatie van ruimte, vertrouwen en heldere, gerichte doelen’. Ze gaan de komende tijd verder in gesprek met onder andere de PO-Raad en VO-raad ‘om tot een gerichte samenwerking te komen om de kwaliteit van het onderwijs verder te versterken’.

Samen de schouders eronder

Van Engelshoven en Slob verwachten ‘van iederéén in het onderwijs de intrinsieke motivatie om ambitieus onderwijs te bieden’. Ze beloven dat ook zij de schouders eronder zetten ‘door bestaande initiatieven voort te zetten en nieuwe op te pakken’.

Lees meer…

Staat van het Onderwijs: prestaties onder druk

De Inspectie van het Onderwijs signaleert in het rapport De Staat van het Onderwijs 2016-2017 dat de prestaties van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs over een breed spectrum gelijk blijven of afnemen. Ook op andere punten signaleert de inspectie punten van zorg.

De gelijkblijvende of afnemende prestaties doen zich volgens de inspectie voor bij taal, rekenen, wiskunde, cultuureducatie, natuur en techniek, bewegingsonderwijs en burgerschap. Leerlingen in andere landen doen het gemiddeld beter. Daardoor is ons land zijn internationale toppositie kwijtgeraakt.

Het niveau van de diploma’s laat volgens de inspectie alleen in het vmbo en mbo nog een stijgende lijn zien. In het vmbo neemt het aantal diploma’s in de gemengde of theoretische leerweg toe. In andere sectoren ziet de inspectie geen stijging meer. ‘Het niveau van het hoogst behaalde diploma aan het einde van de schoolloopbaan daalt zelfs iets’, zo staat in het rapport.

Een positief punt is de lage jeugdwerkloosheid in Nederland. Met een afgeronde opleiding in het mbo, het hbo of aan de universiteit hebben jongeren relatief snel een baan. Dat geldt onder andere voor jongeren die in het onderwijs willen gaan werken.

Onderwijskansen en segregatie

De voorwaarden voor gelijke kansen lijken iets te verbeteren, meldt de inspectie. ‘Er zijn meer dubbele adviezen en leerlingen klimmen vaker op binnen het voortgezet onderwijs’, zo staat in het rapport. Toch blijft kansenongelijkheid bestaan, want te zien is aan het feit dat vooral leerlingen in het praktijkonderwijs en beroepsgerichte opleidingen laagopgeleide ouders hebben en vwo’ers vooral hoogopgeleide ouders.

Wat de segregatie betreft, signaleert de inspectie dat die vooral groot is in het basisonderwijs. Het gaat hierbij met name om segregatie naar opleidings- en inkomensniveau van de ouders en minder om etnische segregatie. In het rapport staat verder dat scholen met een bijzonder onderwijsconcept en scholen op religieuze basis bijdragen aan segregatie.

Kwaliteitszorg, autonomie en sturing

De inspectie verbindt de gelijkblijvende en deels afnemende prestaties van leerlingen met de maatschappelijke opdracht aan het onderwijs die steeds meer onder druk staat. ‘Ondanks het grote aantal goede scholen (…) lukt het niet de kwaliteit van het onderwijs voor alle leerlingen (…) te verbeteren’, zo staat in het rapport. Er wordt hierbij een verband gelegd met de autonomie van de scholen, die niet altijd zou worden benut.

Ook noemt de inspectie de hoge werkdruk die in het onderwijs wordt ervaren, het gebrek aan gekwalificeerd personeel op sommige scholen, de discussies over onvoldoende verantwoording en toegenomen tegenstellingen. Andere aspecten die mogelijk negatieve invloed hebben, zijn onvoldoende aandacht voor kwaliteitszorg en verschillende opvattingen over wat goede onderwijskwaliteit inhoudt.

De inspectie ziet ook dat doelen en werkwijzen van gemeentelijke, regionale en landelijke samenwerkingsverbanden of netwerken aanzienlijk van elkaar kunnen verschillen. Veel van deze verbanden en netwerken hebben volgens de inspectie maar weinig doorzettingsmacht. Bovendien ontbreekt het meestal aan tegenkracht en aan consensus over verwachte resultaten.

Download De Staat van het Onderwijs 2016-2017

Interviewtjes met deelnemers

Aan het begin van het congres in de DeFabrique in Utrecht waar het rapport werd gepresenteerd, hield de inspectie korte interviewtjes met deelnemers. Onder anderen directeur Hans Teegelbeckers van VOS/ABB werd gevraagd wat hem naar het congres bracht.

‘De Staat van het Onderwijs maakt duidelijk waar we staan. De bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs zijn niet altijd positief. Dat is best lastig voor de mensen in het veld, want zij werken enorm hard. Het spanningsveld tussen de wetgeving van de overheid ten aanzien van onderwijs en de autonomie van scholen bijvoorbeeld, vind ik een interessant thema’, aldus Teegelbeckers.

Hij voegde daaraan toe dat het niet alleen belangrijk is om pijnpunten te constateren, maar vooral ook om daar wat mee te doen. ‘Ik ben heel benieuwd naar trends die de inspectie vandaag nader toelicht en hoop dat de verdieping die alle bezoekers hier krijgen, helpen om het onderwijs in Nederland voortdurend te verbeteren.’

Lees meer…

Op 11 april congres De Staat van het Onderwijs

Op 11 april is in Utrecht het jaarlijkse congres De Staat van het Onderwijs. Dan publiceert de Inspectie van het Onderwijs het gelijknamige rapport.

De dag begint met de uitreiking van het rapport aan de onderwijsministers Ingrid van Engelshoven en Arie Slob. Daarna volgt het programma met interactieve sessies.

De inschrijving sluit op 2 april of eerder als het maximale aantal deelnemers is bereikt.

OCW wil burgerschapsonderwijs versterken

Het burgerschapsonderwijs moet worden verstevigd door onder andere de opdracht die scholen op dit gebied hebben in de wet te versterken. Dat schrijven de demissionaire minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker van OCW in een brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de publicatie van het onderwijsverslag De Staat van het Onderwijs van de Inspectie van het Onderwijs.

De minister en staatssecretaris sturen aan op ‘een prominentere plek van burgerschapsonderwijs in het curriculum’, zo staat in hun brief. Daarin staat ook dat scholen in het primair en voortgezet onderwijs meer ondersteuning zullen krijgen bij het bespreekbaar maken in de klas van ‘moeilijk bespreekbare thema’s’.

Verschillen tussen scholen

In hun brief gaan Bussemaker en Dekker ook in op kwaliteitsverschillen tussen scholen die de inspectie signaleert. ‘Het feit dat het van je school afhangt of je talenten volledig worden benut, zorgt voor kansenverschillen tussen leerlingen op verschillende scholen. Dat is uiterst ongewenst’, aldus de minister en staatssecretaris.

Maar de verschillen tussen scholen bieden volgens hen ook een kans: ‘De scholen (…) die het maximale uit hun leerlingen (…) weten te halen, hebben waardevolle ervaringen en inzichten te delen met de middenmoot.’ Met andere woorden: scholen kunnen zich aan elkaar optrekken.

In hun brief aan de Tweede Kamer verwijzen zij hierbij naar het nieuwe toezicht van de inspectie, dat ‘vooral bedoeld (is) om de scholen met basiskwaliteit te prikkelen om zich voortdurend te verbeteren’.

Nederland in subtop

Bussemaker en Dekker wijzen erop dat Nederlandse scholen internationaal gezien tot de subtop behoren. Dit betekent volgens hen dat het (nog) beter kan, vooral als het gaat om de hoog presterende leerlingen.

Onderdeel daarvan is de verdere professionalisering van leraren. In de brief worden ook verscherpte toelatingseisen genoemd, bijvoorbeeld van de pabo’s.

Download de brief van Bussemaker en Dekker

 

 

 

Inspectie ziet kansenongelijkheid toenemen

De kansenongelijkheid in het onderwijs loopt op, meldt de Inspectie van het Onderwijs in het rapport De Staat van het Onderwijs.

‘De laatste jaren nemen de verschillen toe tussen leerlingen met lager en hoger opgeleide ouders. Hierdoor krijgen kinderen van laagopgeleide ouders niet het onderwijs dat ze aan zouden kunnen en blijft talent onderbenut’, aldus de inspectie.

‘Vergelijken we kinderen met dezelfde intelligentie, dan zien we dat kinderen met laagopgeleide ouders vaker doorstromen naar een lager onderwijsniveau. Ze krijgen lagere basisschooladviezen en deze worden minder vaak bijgesteld op basis van de eindtoets.’

Kansenongelijkheid door combinatie van factoren

De inspectie ziet ook dat deze leerlingen in de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs afstromen naar een lager niveau en dat ze minder vaak naar het hoger onderwijs gaan dan in eerdere jaren.

Aan de trend die de inspectie signaleert, ligt een combinatie van oorzaken ten grondslag. Een oorzaak is dat dat hoogopgeleide ouders meer betrokken zijn geraakt bij de schoolloopbaan van hun kinderen. ‘Zij kiezen bewuster en voor betere scholen. Hun kinderen gaan vaker naar huiswerkklassen en toetstrainingen en hun kinderen krijgen vaker medische indicaties wanneer deze op onderdelen achterblijven.’

Meer homogene brugklassen, minder dubbele adviezen

Een andere oorzaak voor de groeiende tweedeling is volgens de inspectie dat kinderen op steeds jongere leeftijd op niveau worden geplaatst. Dat komt, zo schrijft de inspectie, door de groei van het aantal homogene brugklassen, de afname van dubbele adviezen en de toename van het aantal categorale scholen voor voortgezet onderwijs.

De inspectie wijst erop dat ook leraren en schoolleiders een rol spelen. ‘Zij hebben, vaak onbewust, hogere verwachtingen van leerlingen van hoger opgeleide ouders. Onderwijsbeleid en -toezicht hebben ook hun effect, schrijft de inspectie. Daarom zouden ‘onderwijs, overheid en andere sectoren’ de handen ineen moeten slaan ‘om de toenemende tweedeling te keren’.

De Inspectie van het Onderwijs heeft ook De Staat van het Onderwijs in hoofdlijnen en de rapporten De Staat van de Leerling, De Staat van de Leraar en De Staat van de Schoolleider gepubliceerd.